Mariette Wijne

April 2018

Nog eentje dan

In april 2011 werd ik gebeld door ene Jolande Bastiaans. Ze vroeg of ik misschien een column wilde schrijven voor haar tijdschrift in wording. De LEF. Vreemd genoeg verstond ik Lev. Dacht dat het om een afkorting van Lieve Ex Verslaafden ging. Al snel werd me duidelijk dat LEF het woordje ‘ex’ niet gebruikt, maar wel over ‘fellows’ en ‘herstel’ spreekt. Minder Lees meer

Trotse termen, serieuze journalistiek, bekende Nederlanders op de (re)cover. Zo beloofde Jolande. Ik moest het allemaal nog zien. Afgezien van usual suspects Hans Dorrestijn en Xavier Guzman kende ik geen BN’ers in herstel. Logisch, want niemand durfde destijds voor haar verslaving uit te komen.
En toch lukte het Jolande om Jack Wouterse op de voorkant van het eerste nummer krijgen. Daarin schreef ik mijn eerste column. Over het fenomeen van de eerste keer nadat je gestopt bent. ‘Dingen die ik al honderd keer had gedaan, voelden weer als nieuw. Als een ongekende ervaring. Misschien niet grensverleggend, maar toch zeker sensationeel. Zoals mijn eerste droge lente. Bloesem aan de bomen (hemeltje wat mooi). Lammetjes in de wei (niet normaal zo lief).’
Inmiddels zijn we 39 columns en een boel LEVEN verder. Wat is er veel gebeurd. Was ik altijd de enige die haar hand boven het lege wijnglas hield – en omstandig uit moest leggen waarom ik geen alcohol drink – tegenwoordig zit jan en alleman in een of ander stopprogramma. Dry January, 40 Dagen zonder alcohol, Ik pas, Ik pauzeer, Nu even niet: het is nog een hele challenge om alle challenges uit elkaar te houden. On- en offline scheppen deelnemers schaamteloos op over hoe heerlijk het is om niet te drinken en hoe eenvoudig het is om dat wijntje bij het eten te laten staan. Dat ze daarna weer beginnen, vind ik niet erg. Ook even gestopt, is voor altijd weten dat je je zonder beter voelt. Dus dat begint echt de goede kant op te gaan.
Aan de andere kant schiet het juist niet op. Toen ik in het kader van Dry January voor de EO-radio werd geïnterviewd, viel me op dat de journalist meer over wet dan over dry wilde weten. Hij bleef maar vragen naar de bekende weg: hoe erg het was, hoe veel ik dronk en hoe het zo gekomen was. Saaie vragen die dito antwoorden opleverden. Terwijl er juist over herstel zoveel interessants en opbeurends valt te vertellen. Daar kreeg ik 30 seconden voor. ‘Ga naar je huisarts, verslaving is behandelbaar, wees niet bang, het komt goe ...’ riep ik gehaast voordat de eindtune erin werd gedraaid.
Helaas had ik geen tijd meer voor allerbeste advies van de wereld: Lees LEF! Om te weten wat je hebt, te vinden wat je helpt en te voelen dat je niet alleen bent.
Het was een eer om vanaf het begin bij dit geuzenblad betrokken te zijn. Ik heb geschreven wat ik wilde schrijven. Het is tijd voor een nieuwe stem. Maar lieve verslaafden, wat voelde het goed om jullie columnist te zijn.

...

Vroeger had ik op een dag als deze veel moeten drinken om het gat te vullen en de eeuwige schaamte weg te spoelen. Nu restte me niks anders dan doorfietsen en relativeren.

Hoe kun je herstel dan wel inspirerend in beeld brengen? A la Restoration Home! Stop met die clichématige focus op lijden en ga op zoek naar lachende optimisten voor wie een bouwval een belofte is.
Als behandelaar ben je mijns inziens verplicht om ten allen tijde optimistisch te zijn. Op je website, in brochures, maar ook in docu’s die onder jouw naam de wereld ingaan. Optimisme is immers bepalend voor het succes van een behandeling.
Wanneer artsen beëdigd worden, zweren zij hun patiënten ‘goed in te lichten en deze geen schade te doen’. Iemand stevig adviseren te stoppen met wat hem niet beter zal maken, hoort daar ook bij. Niet met een opgeheven vinger, maar met een uitgestoken hand.

Wanneer leer ik, wanneer leren wij voor eens en altijd in te zien dat een verslaving geen zelfgekozen tegenstander is? Elk gevecht ertegen verdient applaus. Ja, laten we klappen voor Ricksen, niet omdat hij geheid gaat verliezen van ALS, maar omdat hij ooit gewonnen heeft van alcohol.

Ik kan deze methode afdoen als spirituele nonsens, maar daar heb ik helemaal geen zin in. Ik weet niet precies hoe het werkt of welke magie er aan te pas komt, maar het gaat zoals die dingen dus kennelijk gaan: toon mij uw wonden en u zult genezen.

Het was even puzzelen, maar ik geloof dat ik het volgende concluderen mag. 1. Niet alle alcoholisten zijn vreedzame snoezepoezen. 2. Ook huurmoordenaars hebben aandacht nodig. En 3, dat je de alcohol wel uit het meisje kunt halen, maar het meisje niet uit de alcohol. Zodra je een stap buiten de deur doet, raak je onder invloed. Dan kun je twee dingen doen. Je verbergen voor het monster of het beest onverveerd in de bek kijken. Doe je het laatste (en breng je het er heelhuids vanaf), dan heb je thuis weer iets spannends te vertellen.

Oh jongens wat een herkenning. Ik kreeg het er benauwd van. En daardoor wist ik ineens wat deze bange lieverd nodig had. Geen datum maar een goeie ouwe geruststelling. Een dooddoener van jewelste, maar dat wat iedereen altijd het liefst wil horen. Het onverslijtbare, eeuwig werkzame: ‘Wees niet bang. Het komt goed.‘ Dus dat zei ik. Zonder een spoor van ironie. Sterker nog, als hij gewoon zo doorgaat, komt het niet alleen goed maar wordt het ook nog eens beter. En dat is leuker dan leuk.

Paniek, angst, schuld en schaamte: ze zijn er nog steeds. Vooral als ik onder druk sta en het gevoel heb de controle te verliezen. Dan dansen die ettertjes sarrend om me heen. Misschien wel fitter en fanatieker dan vroeger; ik kan ze niet verdoven.
Omdat ik mijn kwelgeesten niet meer met een fles buiten westen kan slaan, ben ik naar andere manieren gaan zoeken om ze het zwijgen op te leggen. Weet je waar ze een grote hekel aan hebben? Als je lief voor ze bent. Dan schrompelen ze in elkaar van ellende.
Maar Olivia Laing voegt daar nog iets aan toe. Zij eindigt haar boek met iets wat wij al lang weten maar niet vaak genoeg gezegd kan worden. Ze schrijft: ‘Aan het einde van de dag kun je niets anders dan jezelf vermannen, de brokstukken bij elkaar rapen. Op dat moment begint het herstel. Op dat moment begint het tweede leven: het goede.’

Hee, maar wacht es even, daar zeg je me wat. Zou al dat opgeven, afhaken, kappen en het bijltje erbij neergooien een teken van toegenomen zelfzorg kunnen zijn? Omdraaien uit wijsheid in plaats van luiheid. Mmm. Een prikkelende gedachte, en flauwekul bovendien, want het falen begint natuurlijk al bij de omvang van de plannen. Iets minder hysterische doelen stellen, dat zou pas echte zelfzorg zijn.

Overigens heeft mijn broer die hengel kapotgeslagen op het hoofd van een vervelende buurjongen en heb ik na mijn lagere-schooltijd nooit meer gegokt. Hoe dat in een theorie past, weet ik even niet. Het bewijst maar weer dat je kunt labelen en classificeren wat je wilt, maar dat het binnen elke categorie nog altijd over mensen gaat. Rare types. Geen peil op te trekken.


Februari 2018

Speciale gelegenheid

We namen de garnalenkroket. Wat we erbij wilden drinken? Ik twijfelde tussen een spa rood en tomatensap. Maar hij bestelde vliegensvlug een witte wijn. Wat kon ik daarvan zeggen? Minder Lees meer

Niks. Want mijn woorden sukkelen altijd achter mijn gevoelens aan. Verbazing (lees: ergernis) schoot van mijn middenrif via mijn kaken naar de verticale groef tussen mijn wenkbrauwen. Ik vroeg: 'Wat doe je nou?' Hij antwoordde met de afgelebberde, uitgewoonde, tot op de draad versleten redenatie van je leeft maar één keer, en eentje moet toch kunnen, want alleen bij speciale gelegenheden zoals deze. Want hoe vaak zie ik jou nou? Waarmee hij mij medeschuldig maakte. Ik voelde me belazerd, maar vond dat ik me niet aan moest stellen. De man is 92. Twee-en-negentig! Gun hem zijn pleziertje.

Sinds zeven jaar ga ik af en toe met een oude ‘fellow’ lunchen of naar een concert. Wat ons bindt is het alcoholloze bestaan. Op zijn vijftigste had hij er als zwaar verslaafde de brui aan gegeven. Na die mislukte zelfmoordpoging belandde hij in een afkickkliniek en bevrijdde zichzelf daar uit het gevangenschap dat hij als gruwelijker had ervaren dan het Duiste werkkamp waarin hij als jongen gezeten had. Tijdens onze kennismaking dankte hij God en de Jellinek voor 30 nuchtere jaren.
Ik ben de enige met wie hij over de vloeibare periode uit zijn leven kan praten. Twee à drie keer per jaar spreken we elkaar boven een bordje eten of na een concert. Hij praat. Ik luister. En leef mee.

En toen, ineens: die witte wijn.

Die ik allang weer was vergeten toen we enkele maanden later naar een concert gingen. Hij was die avond slecht ter been. Zonder mijn hulp kwam hij de trap naar onze stoelen niet op. Maar in de pauze stapte hij kwiek naar beneden. En in de foyer danste hij zowat langs de tafels met gratis drankjes en nam, greep, nee omhelsde een glas rode wijn. Omdat het een speciale gelegenheid was, hield ik mijn mond, maar zat er na de pauze een dik uur over na te denken. No merci met zijn grijze haren, zijn 92 jaren of zijn prille weduwnaarschap. Ik dacht alleen aan mezelf en vond dat hij zonder overleg ons alcoholvrije pact geschonden had.
Omdat ik alles overdrijf en niets kan relativeren, legde ik de kwestie aan mijn zussen voor. De een vond dat ik hem best over mijn bezwaren mocht vertellen. De ander was van mening dat ik weer van een mug een olifant maakte. ‘De man is 92. Twee-en-negentig! Die mag toch zeker wel een glaasje drinken?’
Mijn oudste zus en interne criticus zijn twee handen op een buik. Hun motto luidt: niet zeiken, zeuren of moeilijk doen. Van hen moet ik mijn mond houden. En daarom ga ik hem open doen. De volgende keer zal ik Sjaak vriendelijk vragen om in mijn bijzijn niet te drinken. Onze band is alcoholvrij. Die kun je onmogelijk met wijn bezegelen.

We doen het zonder of anders niet.