Mariette Wijne

December 2015

De Ervaring

Mijn moeder was jarig. Er kwam bezoek uit Canada. Mijn 85-jarige tante Toosje en haar dochter Chris. Chris moest dagenlang als levende rollator fungeren en luisteren naar plat Brabants waar ze geen woord van begreep. Dat vonden wij, ik en mijn zussen, sneu voor haar. En dus vroegen we of ze misschien ergens zin in had, nu ze toch in Nederland was. Even iets anders. Een museum? Dagje shoppen? De Wallen desnoods? Mijn immer alerte tante Toosje hoorde dit gesprek en riep: HEINEKEN! She would love that. Tante bedoelde de Heineken Experience. In Amsterdam. En wie van de familie woont er in Amsterdam. Precies. Ik was de aangewezen persoon om met Chris naar de Heinekenfabriek te gaan. Had ik er zin in? Nee. Kon ik er onderuit? Nee. Minder Lees meer

Op aanraden van Heineken, maar verder onnodig, had ik online twee 18+-kaartjes gekocht. Zoals het een experience betaamt kregen we een groen rubberen festivalbandje om met gaatjes waarin twee ‘consumptieknoopjes’ zaten geklikt. De drinker in mij zag meteen dat er meer gaatjes dan knopen waren en die liep nog even terug om te vragen of het wel klopte. Dat deed het. Twee bier.

Binnen was het donker. Het eerste deel van de experience deed erg haar best om op een museum te lijken met vergeelde foto’s en schokkerige filmjes. Maar vanaf het bord waar je je hoofd doorheen kon steken om als oud-Hollandse graanhandelaar of zoiets op de foto te gaan, begon de beleving het over te nemen. We genoten nog even van immense koperen vaten en twee levende paarden, maar daarna was niets nog echt. We enterden een interactief universum dat ... ja wat eigenlijk? Wat hadden al die rugby-, voetbal-, volleybal-, tafeltennis-, formule-1-spelletjes eigenlijk te betekenen? Waarom moest ik met andere mensen in een kratsimulator gaan staan om te voelen wat het is om een flesje bier te zijn? Hobbeldebobbel op de lopende band, onder een sproeier, in het bad. Did you enjoy this? Si, zeiden de Italianen in gewatteerde jacks. Oui, knikten de Fransen op hun eeuwige mocassins. Het spelletjeslabyrint kwam uit bij de bar. Je mocht zelf tappen. Spannend hoor. Je kreeg er een cursus bierdrinken bij. Jemig. Daar gingen de handjes met de bandjes om de glaasjes de lucht in en klonk het ‘aaahhh’ in koor. Super. Mochten we nu dan eindelijk naar huis? Nee, nog lang niet. Er moesten nog gepersonaliseerde etiketten worden bedrukt, foto’s worden gemaakt en god weet wat de firma nog meer had bedacht om bezoekers hun geld afhandig te maken.
Het hele bezoek leek een etmaal te duren, toch stonden we na een uur alweer buiten. Ik heb heel wat musea van binnen gezien. Lange tijd voerde een Sardijns Bandietenmuseum mijn toptien van meest slaapverwekkend museumervaringen aan. Maar dat krot met z’n lage plafond en louter verroeste geweren is achteraf gezien een kaleidoscopische schatkamer vergeleken bij de doodsaaie Heineken Experience. Ik wist het van tevoren en ik blijf erbij: de cultus rond drank is stomvervelend.
Sorry? Of ik in de verleiding ben gekomen? Ja, om in een hoekje te gaan zitten slapen. Maar dat kon ik niet maken tegenover mijn nicht. Zij had overigens een great time. Het mooist vond ze de paarden. We hadden dus net zo goed naar een willekeurige kinderboerderij kunnen gaan.


Oktober 2015

Komt een verslaafde bij de dokter

Ik was op een mojitoparty. De genodigden waren overwegend grijs, vrouw en in goeden doen. De sushi was fantastisch, de lokatie adembenemend. Ik dwaalde wat door de tuin en luisterde her en der een gesprekje af. Het ging over alcohol. Wat anders? Tijdens het drinken wordt het liefst over drinken gepraat. Zulk metageneuzel gaat altijd over rode wijn, maar deze conversatie was van een andere orde. Een van de twee vrouwen somde namelijk zonder schroom de voordelen van niet-drinken op. Wat??? Hoorde ik dat goed? Ja, dat hoorde ik goed. Minder Lees meer

‘Na twee weken merkte ik veel verschil.’
‘Echt?’
‘Ja, ik sliep veel beter. Voelde me fitter. En vond dat ik er beter uitzag. Mijn huid, daar kon je het goed aan zien.’
Mijn hart maakte een sprongetje. Hoorde ik een lotgenoot? Nee, een kankerpatiënt. Bij de vrouw was borstkanker geconstateerd. Tijdens de behandeling had ze niet gedronken, maar na de chemo had ze haar oude gewoonte weer opgepakt. ‘Zodra het kon, begon ik weer.’
Er waren twee dingen waar ik nog dagen op bleef kauwen. Eén: dat de vrouw zich tijdens de chemo überhaupt beter had kunnen voelen dan slecht - en dat door zoiets ‘eenvoudigs’ als niet te drinken. Twee: dat ze ondanks haar broze gezondheid toch weer was begonnen. Waarom dan toch? Uit macht der gewoonte? Om te doen alsof er niets gebeurd was? Om te vieren dat ze nog leefde? Om de gedachte aan de dood te onderdrukken? Het was een vriend die het verhaal aanhoorde en meteen ‘verslaafd’ zei. Dat iemand én doodziek én verslaafd kan zijn, durfde ik niet te bedenken. Maar zoveel pech kan een mens dus hebben. Bovendien vroeg ik me af hoe dat werkt in zo’n ziekenhuis. Wat zegt de oncoloog? ‘Tijdens de chemotherapie kunt u beter niet drinken, wat u daarna doet moet u zelf weten. Sterkte ermee.’
Een ander voorbeeld. Een vriendin van mij sukkelt serieus met haar gezondheid. Ze rookt een pakje per dag. Ze heeft het afgelopen jaar talloze artsen gezien en evenzovele onderzoeken ondergaan. Ze kunnen niks vinden. Ze rookt een pakje per dag. Van al die specialisten is er niet een die daarover begonnen is. En dus heb ik dat maar gedaan. Heel voorzichtig: ‘Wil je ooit stoppen met roken?’ Maar zelfs die vraag was te confronterend. ‘Een brug te ver,’ zoals ze het zelf zei. Dit is een hoogopgeleide vrouw. Een filosoof bovendien. Zeg maar gerust een evangelist van de waarheid, maar haar eigen werkelijkheid kan ze niet onder ogen zien. Fysio, hapto, osteo, zwemmen in verwarmd water: ze grijpt alles aan om haar conditie te verbeteren. Ondertussen rookt ze een pakje per dag. En geen witte jas zegt daar wat van.
Ook ik vind dat artsen zich niet te veel met mijn of andermans lifestyle behoren te bemoeien. Maar soms ... soms zou je willen dat ze dat wel doen. Een ouderwets doktersadvies kan in sommige gevallen misschien wel wonderen doen. Wanneer artsen worden beëdigd, zweren zij hun patiënten ‘goed in te lichten en deze geen schade te doen’. Iemand stevig adviseren te stoppen met wat hem niet beter zal maken, hoort daar ook bij. En dan niet met een opgeheven vinger, maar met een degelijk behandelplan.


Augustus 2015

Het beest in de bek kijken

Verder niks nieuws. Alles z'n gangetje. Je peinst over een ander kapsel. Overweegt een wandelvakantie. En gaat op donderdagochtend met de trein naar IKEA om een douchegordijn te kopen. Juist dan, op een leeg perron, wordt er van bovenaf ingegrepen. Het zijn heus niet altijd grote dingen waar je van het universum op moet kauwen. Integendeel. Veel vaker zijn het kleine ontmoetingen die je een levenslesje leren. Jammer is wel dat de voor dit doel geronselde docenten nooit huwbare kerels met gevoel voor humor zijn, maar meestal dolende zielen die niet lekker ruiken. Of ze gedreven worden door herkenning of in mij een heilsoldaat zien aan wie je al je sores kunt toevertrouwen: mij moeten ze altijd hebben. Minder Lees meer

Dit keer zag ik de boodschapper al van verre aankomen, want: wat een lelijk pak droeg die man! Wit met roestbruine vlekken. Wie bedenkt er nou zoiets? Versace, zo bleek toen hij voor me kwam staan en uit zijn binnenzak met merklabel een pakje sigaretten hengelde. Overigens waren alleen het wit en de zilveren ritsen door Versace bedacht, het onregelmatige vlekkenpatroon was afkomstig van ‘those hree Moroccans’ die met gebroken kaken en gescheurde wenkbrauwen moeizaam aan een nieuwe dag begonnen. De man deed voor hoe hij zijn tegenstanders met een paar Bulgaarse karakateslagen had gevloerd. Het bloed op zijn pak was dus niet van hem, oh nee, dat was van dat tuig dat hem die nacht had proberen te beroven.
Het gevecht had plaatsgevonden ergens in Amsterdam, waar hij had zitten ‘drinking, drinking, drinking’. En: ‘When I drink I get a bit agressive.’ Hij kon nog steeds niet begrijpen dat de politie hem wel en die anderen niet had opgepakt. Overigens was ie wel tevreden over de behandeling. Anders dan in zijn thuisland had hij geen pak slaag maar een koffie en een tasje van de Jumbo gekregen. Daarin lagen nu drie halveliters te schommelen. De vierde had hij in zijn hand.
Had ik al gemeld dat op zijn rechteroog een aubergine groeide? Met zijn linker keek hij mij afwisselend dreigend en teder aan. In korte tijd kwam ik veel over hem te weten. Hij was in Rusland miljonair geweest, had nu een kantoor in de Rotterdamse haven en verdiende zijn geld met vage vastgoedpraktijken en ‘Rusland-gerelateerde diensten’.
Ondertussen reed mijn trein het station binnen. Ik wenste hem nog een goede reis, maar hij kroop naast me in de volle sprinter. Ik zag de mensen naar ons kijken. Wat zag iedereen er netjes uit; de hele wereld om door een ringetje te halen. Alles zo keurig en schattig, vergeleken bij deze man. Op mijn station bleef hij niet zitten, nee, hij wankelde achter mij het treinstel uit. Ik probeerde hem er terug in te duwen. Ik probeerde weg te lopen. Maar hij liet me pas gaan nadat ik zijn visitekaartje had aangenomen. Toen ik me daarmee wapperend uit de voeten maakte, hoorde ik hem roepen: ‘Don’t meet me in the evening. Then I’m not so nice.’ Thuis heb ik Dimitri’s bedrijf gegoogled. Wat bleek? Niks van wat hij had gezegd was onwaar.
Het was even puzzelen, maar ik geloof dat ik het volgende concluderen mag. 1. Niet alle alcoholisten zijn vreedzame snoezepoezen. 2. Ook huurmoordenaars hebben aandacht nodig. En 3, dat je de alcohol wel uit het meisje kunt halen, maar het meisje niet uit de alcohol. Zodra je een stap buiten de deur doet, raak je onder invloed. Dan kun je twee dingen doen. Je verbergen voor het monster of het beest onverveerd in de bek kijken. Doe je het laatste (en breng je het er heelhuids vanaf), dan heb je thuis weer iets spannends te vertellen.


Juni 2015

Geef gerust op

Niet dat mijn leven nu zo succesvol is. Achteromkijkend is er de afgelopen jaren best veel mislukt. Omdat ik het zelf vaak verprutste. Ik kan zo een rij projecten opnoemen waaraan ik vol vuur en vertrouwen begon, maar die ik moedwillig in de soep heb laten lopen. Als eerste denk ik aan de boeken die ik had kunnen schrijven, als ik tenminste meer discipline had gehad. Mijn erotische novelle, Brabantse detective, zelfhulpboek voor twijfelaars: ik had er schatrijk mee kunnen worden, als ik maar beter mijn best had gedaan. Minder Lees meer

Overigens liet ik het niet alleen op creatief vlak vaak afweten, ook in m’n vrije tijd was ik vaak een dweil. De fietsvakantie naar Berlijn had een sportieve mijlpaal kunnen zijn, ware het niet dat ik op de dag van vertrek in mijn bed bleef liggen. Ik was die zonnige juliochtend nog te beroerd om mijn banden op te pompen. De dagen ervoor had ik namelijk m’n tuinhuis geschilderd. Voor de helft. Dat spreekt voor zich.
Hoe anders was dat vroeger. Pitbull noemden ze me toen. Niet alleen dronk ik elke dag met de grootst mogelijke inzet, maar liep ik daarnaast met gemak een marathon en hield ik verbeten vast aan een kansloze relatie. Geen situatie te slopend of ik zette er mijn tanden in.
Het lijkt er dus op dat ik als drinker een grotere doorzetter was dan dat ik nu ben. Hoe is dat mogelijk? Hoe komt het dat ik toen van geen ophouden wist en dat ik nu, fitter en wijzer dan ooit, zo weinig aankan of afmaak. Het eerste wat me te binnen schiet is schaamte. Dat leg ik even uit. Kijk, drinkend schaamde ik me zo voor wie ik was dat ik uit compensatiedrang het braafste kind van de klas probeerde te zijn: lief, sportief en actief als vrijwilliger bij arme sloebers bovendien. Met de alcohol verdween de langzaam maar zeker die noodzaak tot compenseren. Nuchter heb ik minder reden om mezelf te straffen. De beul is met pensioen.
Tot zover de psychologie. Want wie zegt niet dat mijn verdwenen doorzettingsvermogen het gevolg is van een lichamelijk defect? Na zolang orders van mezelf te hebben moeten aannemen (word dun, lang, sexy, artistiek, iemand anders), roept de kleinste opdracht nu een immense aversie bij mij op. Het milde voornemen om eens een dag geen koolhydraten te eten, doet me om 11.00 uur al uit de pan flippen en uit razernij een brood naar binnen schuiven. Ik krijg dan pijn in mijn buik en jeuk in mijn wangen, niet van de honger, maar door een haperende wilsklier of zo. Als ik tegenwoordig iets moet of niet mag, komt mijn lichaam in opstand.
Ook nu, nu ik mezelf dwing een antwoord te vinden op de vraag waarom ik als drinker zo’n doorzetter was, beginnen de irritatie en tegenzin in rap tempo toe te nemen. Over een paar regels kan ik de druk waarschijnlijk niet meer aan. Dan komt het punt waarop ik, waarop het ... nou ja, vul maar in. Op het moment waarop de spanning een gevaarlijk niveau bereikt, is het gezonder om om te keren dan om een weg vooruit te forceren.
Hee, maar wacht es even, daar zeg je me wat. Zou al dat opgeven, afhaken, kappen en het bijltje erbij neergooien een teken van toegenomen zelfzorg kunnen zijn? Omdraaien uit wijsheid in plaats van luiheid. Mmm. Een prikkelende gedachte, en flauwekul bovendien, want het falen begint natuurlijk al bij de omvang van de plannen. Iets minder hysterische doelen stellen, dat zou pas echte zelfzorg zijn.


Maart 2015

Kermisklanten

Als ik het goed begrepen heb, bestaan er twee soorten alcoholverslaafden. Type 1 wordt gedreven door impulsen en kunnen de gevolgen van hun daden niet overzien. Drinkers van dit type raken al jong verslaafd, zijn betrokken bij vechtpartijen, auto-ongelukken en meer van die dingen. In het Engels worden ze thrillseeker of James Bond genoemd. Het zijn overwegend mannen. Uit op kicks; met alcohol voelen ze meer. Type 2 is het tegenovergestelde. Die zullen nooit met een opgevoerde Opel Kadett aan de start van de Zwarte Cross verschijnen, want type-2-drinkers blijven het liefst thuis. Ze zijn angstig, tobberig en onzeker zodra er andere mensen bij zijn. Zij drinken niet voor de kick maar voor de verdoving. Met alcohol kunnen ze het leven beter aan. In deze categorie zitten evenveel mannen als vrouwen. Zij worden ook wel losers genoemd. Minder Lees meer

Ik hoor sinds mijn geboorte bij type 2. Bang tot op het bot. Ik hyperventileerde voordat ik kon fietsen en de jaarlijkse dorpskermis zag ik met angst en beven tegemoet. Terwijl leeftijdgenoten joelend over de rand van het kuipje van het reuzenrad hingen, werd ik al duizelig van het naar boven kijken. Als vriendinnen met rode wangen van de opwinding door de cakewalk deinden, stond ik vanaf een veilig afstandje toe te kijken. Wat zich daarbinnen afspeelde, daar kon ik slechts over dromen. Ik durfde niks. Geen handstand of radslag. Ik kon niet eens duiken.
Maar ik kreeg wel kermisgeld en dat moest op. En zo begon ik te gokken. Het staat me niet meer voor de geest waar ik nou precies mijn guldens in stopte. De grijpers? Of toch de bulldozers? Maar op de pui van de kraam stond: ‘Ontmoetingsplek van winnaars’. Voor zover ik het mij kan herinneren heb ik maar één keer iets gewonnen. Stiekem verlangde ik naar zo'n grote pop met stijf vooruitgestoken benen. Maar die was buiten mijn bereik. Ik mocht iets kiezen van een andere plank. Ik koos een koperen schoen. Ja, een koperen schoen met een kapotte zool. Heel rustiek, beetje Anton Pieck in 3D. Het ding was te klein voor een plant en te hoog om een asbak te kunnen zijn. Toch moet ik er blij mee zijn geweest, want ik heb nog een foto waarop ik de schoen als een trofee de lucht in houd. Mijn oudere broer staat ook op die foto, hij wandelt juist het beeld uit, in een rechte lijn zijn toekomst in. Want anders dan ik had mijn broer wel een visie. Hij wist waar hij heen wilde en kon zijn impulsen beheersen. Zijn kortetermijngenot was ondergeschikt aan de grote beloning die in de toekomst gelegen was. Terwijl ik al mijn geld vergokte, was hij met zijn gedachten bij de sloot achter ons huis. Hij gaf geen cent uit; al zijn kermisgeld ging naar de werphengel waar hij sinds een tijdje voor spaarde. Mijn broer was van een ander slag. Hij steeg gestaag op de maatschappelijke ladder. Kocht het ene huis na het andere. Het bier in zijn kelder was ver over de houdbaarheidsdatum heen. Nu wil ik niet beweren dat je onder hengelaars geen alcoholisten hebt. Maar toch zeker niet van type 1.
Overigens heeft mijn broer die hengel kapotgeslagen op het hoofd van een buurjongetje en heb ik na mijn lagere-schooltijd nooit meer gegokt. Hoe dat in een theorie past, weet ik even niet. Het bewijst maar weer dat je kunt labelen en classificeren wat je wilt, maar dat het binnen elke categorie nog altijd over mensen gaat. En daar ken ik nog een paar types van. Zij die in het hok blijven zitten waar ze door anderen of zichzelf in terecht zijn gekomen. En zij die zoeken naar een deur om uit die beperkende ruimte te bulldozeren.


Januari 2015

Wanneer wordt het weer leuk?

‘Mevrouw Wijne, mag ik u eens wat vragen? Wanneer wordt het weer leuk?’ (Situatieschets: ik aan de telefoon met een meneer die zes weken en drie dagen niet gedronken heeft.) ‘Tja,’ zei ik om tijd te winnen, want ik was me bewust van mijn voorbeeldfunctie en had een paar seconden nodig om een diplomatiek antwoord te bedenken. Een antwoord dat zowel realistisch als optimistisch was. Een antwoord waar in de toekomst geen schadeclaim mee gemoeid zou kunnen zijn. (‘U, zei dat het binnen drie maanden weer leuk zou zijn en dat was helemaal niet zo!’) Minder Lees meer

Leuk, dacht ik, leuk, wanneer werd mijn leven weer leuk? Ik haastte me vijf jaar terug in de tijd en stond stil bij wat ongeveer de 45ste dag moet zijn geweest. Van mijn eerste honderd dagen was dit misschien wel de moeilijkste geweest. Ik had mezelf overtroffen, een persoonlijk record verbroken, maar leuk was anders. Ik voelde de hete adem van een terugval in mijn nek, of beter gezegd, frontaal in mijn gezicht. Op dag 45 hield ik nog nerveus de tel bij en overheerste een gevoel van kwetsbaarheid. Help. Hoe moet het verder? Heb ik nog lakens om te strijken? Keukenkastjes om te soppen? Zal ik voor een vijfde keer vandaag gaan douchen? Oh, wat verlangde ik ernaar om nergens naar te verlangen. Rust in mijn donder. Hulp van buitenaf was destijds ook heel welkom. Iets buitenaards. Ik wilde gedragen worden, zoals dat zo mooi heet. Fantaseerde over een vaderfiguur die me zou vertellen dat het goed was, dat ik sowieso goed ben, en dat ik geen speciale moeite hoefde te doen. Gewoon zijn, weet je wel. Adem in, adem uit.
Maar op zo’n vaag verhaal zat deze keurige meneer van begin zeventig waarschijnlijk niet te wachten. Die man wilde een houvast. Een datum in zijn agenda waar hij met een balpen een zonnetje omheen zou kunnen tekenen. Nog 23 nachten slapen en dan is het weer leuk. Leuk?
Wat is dat eigenlijk? Leuk dat zijn twee kinderen en een labradoedel. Ontbijt op bed op moederdag. Wat zit je haar leuk. Wat leuk dat je aan me hebt gedacht op mijn verjaardag. Hoe was het wellnessweekend met je zussen? Leuk. Leuk? Mijn leven was nooit zo leuk en dat is het gelukkig nog steeds niet. Maar kon ik hem dat zeggen?
Ondertussen, om de stilte te doorbreken, was hij zelf maar beginnen te vertellen. Over verslechterd contact met zijn kinderen. Over een uitstekende gezondheid die hij glas voor glas om zeep aan het brengen was. ‘Ik viel op slaap op feestjes. Kon nergens anders meer aan denken.’ Tussen de regels door hoorde ik het dilemma van de probleemdrinker die weliswaar buitensporig veel drinkt maar nog niet zijn rijbewijs en huwelijk is kwijtgeraakt en daardoor in de verleiding komt te denken dat het allemaal wel mee viel.
Oh jongens wat een herkenning. Ik kreeg het er benauwd van. En daardoor wist ik ineens wat deze bange lieverd nodig had. Geen datum maar een goeie ouwe geruststelling. Een dooddoener van jewelste, maar dat wat iedereen altijd het liefst wil horen. Het onverslijtbare, eeuwig werkzame: ‘Wees niet bang. Het komt goed.’ Dus dat zei ik. Zonder een spoor van ironie. Sterker nog, als hij gewoon zo doorgaat, komt het niet alleen goed maar wordt het ook nog eens beter. En dat is leuker dan leuk.


November 2014

Recht van spreken

Vandaag heb ik op de kop af vijf jaar niet gedronken. Van lust ’m naar lustrum. Zestig maanden, 260 weken, 1827 dagen om precies te zijn. Had iemand mij van te voren gezegd dat het op den duur zo fijn zo zijn, dan was ik er eerder aan begonnen. Maar niet heus. Zoals een verslaving een optelsom of vermenigvuldiging van factoren is, zo is stoppen dat ook. Je moet er klaar voor zijn. Dat was ik op 15 oktober 2009. Minder Lees meer

Is er sindsdien veel veranderd in mijn leven? Al na de eerste week kon ik een hele rij met voordelen opsommen, beter slapen tot witter oogwit. Maar nu ik 1827 dagen niet gedronken heb, willen de positieve effecten me niet zo een twee drie te binnen schieten. Althans niet in de vorm van een rijtje. Meer als een onafgebroken lijn. Een gehele linie, zal ik maar zeggen.
Ja, over de gehele linie gaat het honderd keer beter dan pak ’m beet tweeduizend dagen geleden. Ik leef en ben gezond, om maar eens iets te noemen, wat niet wil zeggen dat ik nergens last van heb. Paniek, angst, schuld en schaamte: ze zijn er nog steeds. Vooral als ik onder druk sta en het gevoel heb de controle te verliezen. Dan dansen die ettertjes sarrend om me heen. Misschien wel fitter en fanatieker dan vroeger; ik kan ze niet verdoven.
Omdat ik mijn kwelgeesten niet meer met een fles buiten westen kan slaan, ben ik naar andere manieren gaan zoeken om ze het zwijgen op te leggen. Weet je waar ze een grote hekel aan hebben? Als je lief voor ze bent. Dan schrompelen ze in elkaar van ellende. Aandacht doet wonderen. Door bijvoorbeeld over angst en onrust te schrijven, maak ik ze onschadelijk. Helemaal als ik daar mijn naam onder zet. En zo kom ik bij het tweede grote gevolg. Want pas sinds ik nuchter ben, durf ik onder mijn eigen naam te schrijven. Daarvoor schreef ik voor anderen of ik gebruikte een pseudoniem. Ik schaamde me kennelijk zo voor wie ik was, dat ik mezelf het zwijgen oplegde. Mijn verslaving was een vorm van zelfcensuur.
Nu voert het me te ver om te zeggen dat ik op 15 oktober 2009 opnieuw ben geboren, want dan zou ik mezelf op een andere manier ontkennen en dat wil ik niet. Maar het is wel zo dat ik vanaf die dag mijn stem durf te laten horen. Op papier en sinds kort ook voor de klas als schrijfdocent. Ik praat terwijl anderen naar mij kijken. Ik eis zomaar de aandacht van mijn kunststudenten op. Met angst en beven, en met een hoop gerelateerde paniek, maar ik doe het. En als het lukt, als zo’n seminar (doe maar duur) goed loopt, dan is dat het lekkerste wat er is. En als het mislukt, dan stort ik in, allicht, maar krabbel wonder boven wonder ook weer op. Op mijn eigenste droge houtje. En daar gaat het dus om. Al vijf jaar. Niet te geloven.


September 2014

Niet geschikt voor kijkers met een eetstoornis

Diane Keaton leed vier jaar aan boulimia, las ik op de website van LEF. Ik ben me in deze actrice aan het verdiepen, omdat ze in Annie Hall van Woody Allen zulke mooie kleren draagt. Keaton werd door die film uit 1977 een stijlicoon. Niet seks maar goede smaak is haar handelsmerk. Ze draagt steevast mannenkleren, speelt interessante vrouwenrollen en heeft humor. Ik wist niet beter of Keaton was een gezonde vrouw met een dito zelfbeeld. Nee dus. Boulimia. Minder Lees meer

In het autobiografische boek It wasn't all that pretty schrijft ze over die vier vernederende jaren. Lucky Diane. Zelf heb ik ruim twaalf jaar boulimia gehad. Het begon met een puntendieet uit de Libelle en eindigde bij een psychiater die me op mijn eigen verzoek antidepressiva gaf. Ik wilde de cirkel van eten en kotsen, eten en kotsen en eten en kotsen doorbreken en had ergens gelezen dat prozac wonderen deed voor eetverslaafden.
Sindsdien heb ik nooit meer een vinger in mijn keel gestoken en daar ook nooit meer de aandrang toe gevoeld. Ook niet nadat ik met de pillen stopte. Na het eten kwam weliswaar de alcohol, en nog steeds tel ik calorieën, maar dat is allemaal klein bier vergeleken bij het monster van een obsessie dat me twaalf jaar in zijn smerige klauwen had. Het is me nog steeds een raadsel waarom het zo lang heeft geduurd. Misschien had het te maken met de tijd van onwetendheid waarin ik leefde? Had je boulimia in de jaren tachtig, dan had je dikke pech, want nergens was fatsoenlijke informatie te vinden. Je kon het b-woord niet even intikken in je computer, je moest tussen de vreetbuien door naar de bieb en daar stond dan één boek over anorexia.
Als ik nu boulimia google, krijg ik 238.000 hits. Symptomen, zelftests, klinieken, tips, ervaringen, lotgenoten, glossy's, films. Op YouTube draait bijvoorbeeld de documentaire Mij Niet Gezien uit 2012. Een film die aandacht vraagt voor onzichtbare eetstoornissen zoals boulimia nervosa, waaraan alleen al in Nederland 160.000 vooral meisjes en jonge vrouwen lijden. Als ik een dochter met boulimia had, zou ik haar verbieden naar dit integere maar treurige portret van drie wanhopige meiden te kijken. De film biedt weliswaar veel herkenning maar geen greintje hoop. Het blijft bij omschrijven, benoemen, zuchten. In slow motion, zonder enig perspectief. Er wordt niet één keer gelachen. De muziek is loodzwaar.
Mij Niet Gezien is gemaakt in opdracht van Centrum Eetstoornissen Ursula. Opmerkelijk. Om niet te zeggen misdadig. Als behandelaar ben je mijns inziens verplicht om ten allen tijde optimistisch te zijn. Op je website, in brochures, maar ook in docu's die onder jouw naam de wereld ingaan. Optimisme is immers bepalend voor het succes van een behandeling. Ik geloofde destijds in die pillen en daarom hielpen die pillen mij. Het is dan ook Ursula's taak ervoor te zorgen dat boulimiameisjes geloven dat ze goed kunnen genezen. En daarom moet er als de wiedeweerga een vervolg op deze enkele reis naar de hel worden gemaakt. Inmiddels zijn we twee jaar verder. Hoe gaat het nu met Sandra, Rowena en Anneloes? Laat zien dat er een terugweg is verdorie. En snel een beetje. Geef die meiden een nieuwe rol in een andere film. Maak er drie gezonde vrouwen van.


Juli 2014

Bron van liefde en ellende

Het ging zoals die dingen gaan. Eerst lijkt het je helemaal niks, maar dan maakt iemand die je hoog hebt zitten er reclame voor en denk je: mmm, dat moet ik toch ook eens proberen. Zo kwamen bijvoorbeeld bier, hardlopen en de e-reader in mijn leven. En onlangs heeft de familieopstelling zich in het rijtje gevoegd. Familieopstelling? Softe hap. Niks voor mij. Dat dacht ik ook. Maar een vriend had tijdens zo'n familieopstelling ontdekt dat hij alles had gedaan om niet zijn eigen leven te hoeven leiden. En sinds die opstelling had hij al twee keer ergens ‘nee’ tegen gezegd. Een wonderbaarlijke genezing. Dat wilde ik ook. Want als er iets is dat mijn doen en laten heeft beïnvloed, dan is het mijn familie wel. Minder Lees meer

Dus googelde ik op een vroege zondagochtend ‘familieopstelling in Amsterdam’ en betrad ik twee uur later een theaterzaaltje om de hoek. De groep bestond uit drie begeleidsters, en drie vrouwen en vijf mannen op zoek naar inzicht. De een wilde weten wat zij voor haar manisch-depressieve moeder had betekend. De ander wilde erachter komen waarom de relatie met zijn stiefzoon zo was verslechterd. Ik en mijn issues waren als laatste aan de beurt. Aarzelend koos ik representanten voor mijn drinkende vader, tobbende moeder, broers, zussen en voor mezelf niet te vergeten. Een keurige 65-jarige huisarts speelde mijn doodgeboren zusje en een van de begeleidsters stelde mijn verongelukte jongste broer voor. Zij lag op de grond riep: ik ben niet dood, ik leef. Precies mijn broer. Daar kon ik wel om lachen. Maar al snel zat ik te sniffen. Iedere representant had namelijk zijn eigen aandoenlijke verhaal. Ik zag mijn vader letterlijk worstelen met zijn emoties en begreep ineens hoe eenzaam mijn zogenaamd sterke oudste zus moet zijn geweest. En mijn zwijgzame oudste broer begon vanuit het niets heel lief tegen mijn alias te praten. En ik (de echte) voelde niks dan warmte en begrip voor het zooitje dat daar stond en voelde me thuis als nooit tevoren. Na afloop ontsloeg ik iedereen uit zijn rol en fietste met een barstende koppijn naar huis. Grinnikend om mijn dode broer en vol genegenheid voor mijn vader.
Families zijn een even grote bron van liefde als van ellende. Dat hoef ik jullie niet te vertellen. Maar wat die opstelling me heeft laten zien, is dat niemand op zichzelf staat en ieders gedrag verklaarbaar en daardoor begrijpelijk is. En zodra je iemand begrijpt, kun je hem of haar en ook jezelf beginnen te vergeven. Appeltje, eitje; vertel eens iets nieuws. Maar wie slaagt daarin in het echte leven? Familieleden zien zoals ze echt zijn is door angst, woede, onbegrip of ander oud zeer het moeilijkste wat er is. Maar tijdens die familieopstelling, als toeschouwer, kostte me dat geen enkele moeite. En dat luchtte me enorm op. Ik kan deze methode afdoen als spirituele nonsens, maar daar heb ik helemaal geen zin in. Ik weet niet precies hoe het werkt of welke magie er aan te pas komt, maar het gaat zoals die dingen dus kennelijk gaan: toon mij uw wonden en u zult genezen. Bij thuiskomst heb ik meteen mijn oudste zus gebeld. Gewoon, om te vragen hoe het met haar is en om een beetje te lachen en te kletsen. Iets wat ik al heel lang niet had gedaan.


Mei 2014

Waarom schrijvers drinken

Ze raakte niet over hem uitgepraat en vroeg: ‘Is het gek als ik hem een verzamelcd’tje met mijn lievelingsmuziek opstuur?’ En zo kwam ik erachter dat mijn vriendin verliefd is op Karl Ove Knausgård, de aantrekkelijke Noorse schrijver die met zes dikke autobiografische romans de literaire wereld overhoop heeft geschreven. ‘Keihard en onverbiddelijk,’ aldus de pers. Maar ook aanbiddelijk, getuige de toestand van mijn vriendin. Huiverig voor bestsellers maar razend nieuwsgierig naar wat zij in hem ziet, begon ik Knausgård te lezen. Minder Lees meer

Na tien pagina’s was ik niet verliefd maar wel verslaafd. Ik gaf me over aan een leesbacchanaal en las Vader, Liefde, Zoon en Nacht, in een ruk uit. Vooral Vader hakte erin. Het gaat over de dood van Knausgårds tirannieke vader die na twee mislukte huwelijken bij zijn dementerende moeder intrekt om zich systematisch dood te drinken. Met nietsontziende pen beschrijft de schrijver wat hij en zijn broer in het huis van oma aantreffen. Lege flessen, etensresten, bloedvlekken, poepresten, met pis doordrenkte matrassen, bergen slijmerige vuile was. Alles leeg, kapot of aangetast. Ze besluiten te blijven om alle sporen uit te wissen. Al poetsend komen de kleinzoons erachter dat ook oma ‘van een glaasje houdt’. En zo gebeurt het dat ze zich samen met haar bezatten in het huis waar haar zoon en hun vader aan de alcohol gestorven is. Zijn lichaam is amper koud wanneer zij het ene glas wodka-Sprite na het andere naar binnen gieten, aanvankelijk beschaamd, maar allengs steeds vrolijker. ‘Aangespoord door het steeds sterker stralende licht van de alcohol, dat meer en meer van mijn gedachten uitwiste, sloeg ik langzamerhand de drank achterover alsof het sap was. En dan was er geen houden meer aan.’
Knausgård kan er wat van. En door Vader weet je waarom: het zit in de familie. Bovendien is hij als schrijver nog eens extra belast. Bijna alle schrijvers drinken. Niet zelden tot ze erbij neervallen. De Engelse auteur Olivia Laing wilde weten waar dat door komt. Onlangs verscheen Een uitstapje naar Echo Spring, over de tragische levens van onder anderen F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Tennessee Williams. Volgens Laing hebben deze drinkebroers ‘een deel voortgebracht van het allermooiste wat er in deze wereld geschreven is’. Toen ik die zin las wilde ik het boek aan de kant leggen. Ik zat niet te wachten op een verheerlijking van alcohol als creatieve motor. Maar ik zette door. Met stijgende jaloezie om eerlijk te zijn. Want wat een prachtig genuanceerde ‘roadmovie’ schreef Laing over de drankzucht van de door haar aanbeden schrijvers! Reizend door Amerika komt ze erachter dat schrijvers drinken om dezelfde reden als dat alle alcoholisten drinken: geen. Er is niet één reden. Het is altijd en opnieuw een mix van aanleg en omgeving die het breinmonster ofwel ‘het grote beest’ verwekt. Laing haalt hier Alan Leshner van het National Institute on Drug Abuse aan. Hij introduceerde vijftien jaar geleden het concept van de brain switch. Daarmee bedoelde hij het proces van waardevermindering van de goede dingen ten opzichte van dat ene. ‘In plaats van in je leven allerlei aangename, lonende, in het oog springende zaken te hebben, worden ze allemaal steeds onbelangrijker tot er maar één over is, en dat is de drug die je gebruikt. Alcohol.’
Een vergelijkbare geestvernauwing vindt natuurlijk ook plaats als je verliefd wordt op een Noorse schrijver. Maar dat beest leeft meestal niet zo lang, na twee jaar is er weinig van over. Het beest dat zich voedt met alcohol is daarentegen niet kapot te krijgen, zoals in Vader en Uitstapje naar Echo Spring maar weer eens duidelijk wordt. Maar Olivia Laing voegt daar nog iets aan toe. Zij eindigt haar boek met iets wat wij al lang weten maar niet vaak genoeg gezegd kan worden. Ze schrijft: ‘Aan het einde van de dag kun je niets anders dan jezelf vermannen, de brokstukken bij elkaar rapen. Op dat moment begint het herstel. Op dat moment begint het tweede leven: het goede.’


Maart 2014

Help

Stel, je bent vier jaar van de drank en in recovery, zoals dat zo mooi heet. Je komt iemand tegen. Je wordt verliefd. Je waagt de sprong. Maar die iemand drinkt. Zoals de meeste mensen doen. En stel nou, dat je daar toch de zenuwen van krijgt, wat doe je dan? Accepteren of verbieden? Zero tolerance of laissez aller? Minder Lees meer

1. Beste mevrouw, ik proef angst. U twijfelt aan uw eigen standvastigheid. En terecht, want eens verslaafd altijd verslaafd. Dus wees op uw hoede. U zit nu nog in uw wittebroodsweken: alles is nog tralala. Maar wat als u straks door uw eerste serieuze relatiecrisis gaat? Zal zijn innamepatroon dan nog ‘gemiddeld’ zijn? En blijft u dan zelf nuchter? Het zou zonde zijn als u via de liefde weer aan de drank zou raken. Sterkte ermee.
2. Hallo, hij weet toch wie je bent en waar je vandaan komt? Als alcohol geen must voor hem is, kan hij toch net zo goed solidair met je zijn? Probleem opgelost.
3. Volgens mij projecteer jij je eigen angsten op je geliefde en is er in feite niks aan de hand. Ik durf te wedden dat al jouw vrienden en familieleden ook de nodige alcohol drinken of ga je uitsluitend nog met geheelonthouders om? Hier is iets anders aan de hand, u zoekt naar mankementen. Verpest het niet. Ik zou bijna zeggen, drink een glaasje om te ontspannen. Zie maar waar het schip u voert dan wel strandt. Ik wens u een aangename reis.
4. Ik ben ook in recovery. En nu heb ik sinds een jaar een vriend die drinkt. Hij drinkt helemaal niet veel, maar als ie drinkt wordt ie zoals iedereen aangeschoten en dan lach ik me rot. Ik heb het heel kort met iemand van de meetings geprobeerd en dat was een complete ramp. Nu woon ik samen met een vriend die drinkt en ik ben nog nooit zo gelukkig geweest. Komt ook omdat ik weet dat als ik het niet trek en de drank uit huis wil, hij dat ook doet. Ga ervoor zou ik zeggen! Gaat het niet, dan heb je hem toch zo gedumpt?
5. Sorry, maar u stelt het wel heel straf. Accepteren of verbieden: weleens gedacht aan een middenweg? U zou bijvoorbeeld een afspraak kunnen maken, dat hij, als het nodig is, rekening met uw gevoeligheden houdt. En dat u, op uw beurt, minder panisch met de pleziertjes van de ander omgaat. Echte liefde is geven en nemen. En zeldzaam. Als je die vindt, moet je er zuinig op zijn.
6. Hoi, als alcohol een nieuwe drug zou zijn, zou het subiet verboden worden. Vervang rode wijn door cocaïne. Wat als je daarvan na veel ellende was afgekickt? Je komt iemand tegen die weliswaar niet elke dag maar toch nog met enige regelmaat een lijntje snuift. In jouw bijzijn. Hoe vind je dat? Je bindt kortom de kat op het spek. Dat je dat zelf niet ziet.
7. Ik zou hem lekker laten, ik ken alleen maar mensen die teveel drinken en daar geef ik hartstikke veel om.
8. Volgens mij maakt u van een mug een olifant. Pas maar op dat uw verkering niet de zenuwen van u krijgt. Misschien is hij wel van de zero tolerance. Dus stop met zeuren, geniet van uw nieuwe liefde en laissez aller.


Januari 2014

Topsport

Toen een kennis hoorde dat ik nog steeds niet drink, feliciteerde hij mij alsof ik zojuist de Elfstedentocht had uitgereden. Hij vergeleek mij met een topsporter en niet-drinken met een gevecht dat slechts door weinigen gewonnen wordt. Het was aardig bedoeld, maar waarom voelde het niet als een compliment? Misschien omdat ik topsport een lelijk woord vind. Misschien omdat het me doet denken aan Mart Smeets en aan eenzelvige types die nog bij hun ouders wonen en elke dag om zeven uur naar bed gaan om de beste in hun soort te worden. Als je dan toch wilt vergelijken, vergelijk dan het verslaafd-zijn met topstort. Qua lichamelijke afmatting en tunnelvisie passen die twee beter bij elkaar. Minder Lees meer

Dat werd maar weer eens duidelijk bij het zien van de The Wolf of Wall Street. Een film van Martin Scorsese over een geld-, drugs-, drank- en seksverslaafde financiële zwendelaar. De film is een drie uur durend bacchanaal met Leonardo DiCaprio in een prijswinnende hoofdrol. We zien hem onder andere coke snuiven uit de bilnaad van een prostituee en laveloos zijn eigen heli besturen. Zoals ik in een vliegtuig stijf in mijn stoel zit om de machine in de lucht te houden, zo zat ik in de bioscoop mijn adem in te houden om DiCaprio levend naar de aftiteling te loodsen. Een kwartier voor het einde kon ik het krankzinnige controleverlies niet meer aanzien, begon ik te hyperventileren, kreeg een paniekaanval en dacht dat ik doodging.
The Wolf is een hit. We smullen immers van mensen die hoeren en snoeren tot ze erbij neervallen. En ondertussen volgen we het broodloze zandloperdieet om minstens 120 jaar oud te worden. Onze obsessie met gezondheid enerzijds en bandeloosheid anderzijds kan niet beter geïllustreerd worden als met een recente lijst van de best verkochte boeken. Kris Verburghs De Voedselzandloper werd na 75 weken op nummer één te hebben gestaan ingehaald door Vechtlust, de geautoriseerde biografie van de twaalfvoudig international Fernando Ricksen, ‘wiens verslavingen bijna zijn ondergang werden’ aldus de achterflap.
De oud-voetballer mocht het boek over zijn turbulente leven komen presenteren bij De Wereld Draait Door. Dat deed hij met een dubbele tong. Niet van de drank, maar van de ALS. Eerder die dag had hij het doodvonnis gehoord. Drie dagen later kreeg hij een staande ovatie in het stadion van zijn oude club, de Glasgow Rangers. Er volgden steunbetuigingen van Sepp Blatter, van Dick Advocaat en van tienduizenden oude en vooral nieuwe fans. Want als je lijdt aan AlS, kanker of een andere erkende dodelijke ziekte kun je rekenen op een stadion vol steun en compassie. Maar waar waren de fans toen Ricksen vocht tegen zijn verslavingen? Drank, drugs, seks et cetera worden beschouwd als zelfgekozen vijanden. Als je daarmee worstelt en in het gunstige geval van wint, hoef je niet te rekenen op een felicitatie van de FIFA-voorzitter. Had je maar niet verslaafd moeten raken. Eigen schuld, dikke bult.
Ik geef het niet graag toe, maar ondanks alles wat ik heb geleerd over verslaving, betrap ik mezelf helaas nog te vaak op deze vastgekoekte misvatting. Ik vind het bijvoorbeeld onbegrijpelijk dat ik niet eerder gestopt ben met drinken. Ik ga er dus vanuit dat ik al die tijd dat ik excessief dronk een keuze had. Misschien kan ik daarom geen complimenten in ontvangst nemen: omdat ik mij net als de rest van de wereld schuldig maak aan het populaire victim blaming. Had ik maar niet verslaafd moeten raken. Eigen schuld enzovoort. Wanneer leer ik, wanneer leren wij voor eens en altijd in te zien dat een verslaving geen zelfgekozen tegenstander is? Elk gevecht ertegen verdient applaus. Ja, laten we klappen voor Ricksen, niet omdat hij geheid gaat verliezen van ALS, maar omdat hij ooit gewonnen heeft van alcohol.


November 2013

Beeld

Ik moest op de foto. Met alles erop en eraan. Make-up, haren, kleren. En die foto zou verschijnen bij een artikel over vrouwen die opzien tegen de feestdagen. Vrouwen die niet normaal kerst kunnen vieren omdat ze bijvoorbeeld boulimia, anorexia, een maagband of alcoholprobleem hebben. Je vraagt je af of vijfduizend calorieën en drie flessen wijn per persoon wél normaal zijn, maar à la. Minder Lees meer

Ik moest dus op de foto. Dat had ik eerder gedaan. Daar had ik slechte herinneringen aan. Destijds wilden ze dat ‘de alcoholiste’ in minirok over de bar zou kruipen, onderweg wat klauwbewegingen makend. Sindsdien wil ik van te voren weten hoe ze me hebben willen. In wat voor context? In welke kleren? De styliste, een schat van een vrouw, zei dat het om een stijlvol portret ging. Ze vroeg of ik zelf een outfit in gedachten had. Dat had ik. Iets bedeesds, iets onopvallends. ‘Een beige wollen truitje of zo, want ik wil graag serieus genomen worden.’ Prima. Ze had het begrepen.
Op een zonnige vrijdagmiddag fietste ik naar de fotostudio. De vijfkoppige crew gaf me een warm onthaal. De dames van de make-up knepen in mijn krullen. De knappe fotograaf vroeg wie ik was. ‘Ik ben de alcoholist.’ Stonden ze eerst nog in een knusse cirkel om me heen, nu deinsden ze toch een beetje achteruit. Ik dacht: daar gaan we weer. Ik ga zo zeggen dat alcoholisme in de beste families voorkomt en zij gaan mij de drie controlevragen stellen. Hoeveel dronk je? Dronk je ook overdag? En in je eentje? Vervolgens zou het gesprek buiten mij om worden gevoerd. Want de ze willen niet weten hoe het met mij gaat. Ze zijn benieuwd naar hun eigen drankgebruik. Moeten ze zich zorgen maken of kunnen ze lekker door ‘genieten’? En daar hebben ze mij voor nodig. Ik moet hen geruststellen. Zij denken dat als je alleen voor de gezelligheid drinkt, er niets is om je zorgen over te maken. Soms laat ik ze in die waan. Soms sla ik ze om de oren met afschuwwekkende feiten en angstaanjagende ziekterisico’s. Omdat ze echt aardig waren, koos ik voor het eerste en schakelde al vrij snel over in de entertain-stand. Dat gebeurt als meer dan twee personen naar me staan te kijken.
En al die tijd zaten ze aan mijn haar te frunniken en mijn gezicht te doen. Binnen een halfuur was ik lichtjaren van mijn eigen uiterlijk verwijderd. Niks bedeesd of serieus. Maar opzichtig, tegen het dellerige aan. Bij die felroze lippenstift en dikke rouge stak dat wollen truitje maar flets af. Het enige wat de boel visueel nog in balans kon houden was een felblauw glittervest. En daarmee was mijn hoop op het ingetogen portret van de gelouterde vrouw definitief vervlogen. Missie mislukt.

Op de fiets naar huis voelde ik me leeg en verdrietig. Wat was er nou misgegaan? Ik had te veel gepraat, te hard gelachen en te weinig over de ziekte alcoholisme uitgelegd. Bovendien had ik niet ingegrepen toen ze zeiden ‘felroze’ en had ik zelf dat vest uit het rek gepakt. Vroeger had ik op een dag als deze veel moeten drinken om het gat te vullen en de eeuwige schaamte weg te spoelen. Nu restte me niks anders dan doorfietsen en relativeren. Misschien hebben een paar lezers iets aan mijn verhaal? En waarschijnlijk vindt mijn moeder die foto’s heel leuk. ‘Fris!’ Ik hoor het haar nu al zeggen. Met de kerst ben ik trouwens bij haar. Met op het menu: koffie, Sissy en Rummikub. Daar zie ik absoluut niet tegenop.


September 2013

Ouders

Toen mijn moeder eenmaal doorhad dat het stekje in mijn tienerkamer het prille begin van een wietplantage betrof, heeft ze het met pot en al in de vuilnisbak gemieterd. Ik was kwaad, maar toch hebben we er nooit met een woord over gesproken.
Ik dacht ineens weer aan die wietplant toen een collega van mij over zijn bezoek aan de sauna vertelde. Hij had er zwetend een gesprek opgevangen tussen een moeder en een zoon. “Waren die samen in de sauna?” Vroeg ik geschokt, maar daar ging het volgens het hem niet om. Het ging over het onderwerp dat ze bespraken. Hij hoorde hoe de jongen zijn moeder vertelde dat hij depressief was door alle pillen die hij tijdens Lowlands had geslikt. Minder Lees meer

Dat ze daar openlijk over praatten, vond mijn collega het summum van een goede band tussen ouder en kind.
Zo meteen ga ik terug naar die sauna. Maar eerst nog even iets over een vriendin, of liever over haar puberzoon van negentien die ik al jaren niet fris of vrolijk heb gezien. Telkens als ik bij hen op bezoek ben, komt hij net uit bed met een gigantische kater. Mijn vriendin kan daar prima mee leven. Ze haalt en betaalt het bier dat zoonlief en zijn vrienden tot het laatste flesje opdrinken voordat ze naar het café toe gaan. Zo gaat dit al jaren. Zij maakt zich geen zorgen. Ze zegt: “Dit hoort erbij. Hij is nog jong.” Precies, zeg ik dan: “Hij is nog jong. Zijn brein is zo plastisch als de neten. Daar moet je niet mee spotten. Hoe later ze beginnen met drinken, hoe kleiner de kans op schade en verslaving, et cetera.” Daarna volgt meestal dezelfde reprimande. “Kom op, wij zijn toch ook jong geweest? Hoe vaak zijn jij en ik niet tot het gaatje gegaan?”
Daar valt geen speld tussen te krijgen. Toch zint haar antwoord mij niet. Ik vind dit soort verzachtende woorden vreemd voor ouders die vanaf hun geboorte het allerbeste voor hun intens gewenste ‘kids’ hebben gewild. De hipste kleren, de vrijste school, de leukste vrienden. Ze liepen hand in hand de avondvierdaagse, ze sjouwden samen alle mogelijke opleidingen af. Elk mankement is uitvergroot en gelabeld. Bijles, medicijnen, therapie, persoonsgebonden budgetten: kosten noch moeite zijn gespaard om kinderen te laten floreren en ze te helpen het beste uit zichzelf te halen. Maar datgene waarvan iedereen zo onderhand kan weten dat het onherroepelijke schade aan dat schitterende brein aanricht, wordt als een doodnormale stap op de weg naar volwassenheid afgedaan.
Ondertussen heb ik makkelijk praten. Ik heb geen kinderen. Waar bemoei ik me mee? Maar van een afstand zie je beter wat er niet klopt. Het normaal vinden dat je kind zich laveloos drinkt, het babbelen over een pilletje als was het een patatje, is wat er niet klopt. Of ik klink ik nu als mijn moeder? Dat is het natuurlijk! We wringen ons allemaal in bochten om maar niet op onze ouders te lijken. Daarom ga je met je kind naar de sauna en stel je je op als vriend. En die veronderstelde gelijkheid is de dood in de pot. Ik bedoel: als je je zoon of dochter als een volwassen gesprekspartner ziet, dan kun je inderdaad moeilijk zeggen: je bent mijn kind, ik maak me grote zorgen, ik verbied het je om twintig bier op een avond te drinken. In een gelijkwaardige relatie kun je de ander niet de les lezen of domineren. Dan is het schipperen geblazen. Zoals die moeder in de sauna vermoedelijk doet. Zij denkt: hij is tenminste eerlijk, zolang hij nog met me praat, is het goed. Zij heeft een punt. En ik maak me zorgen. Om al die dolende kinderen en hun al dan niet verontruste ouders.


Juli 2013

Roes

Een vriendin zei dat ik Millie van Helen Walsh moest lezen. ‘Drank, drugs, seks. Lijkt op Trainspotting maar dan met een vrouw in de hoofdrol. Echt iets voor jou.’ ‘Ik ben benieuwd,’ zei ik zo opgewekt mogelijk. Een dag later later lag het boek bij me op de mat. Daar liet ik het weken liggen. Too hot to handle. Hetzelfde gebeurde met A.F.Th.’s Tonio. Vrienden en bekenden smeekten me om het te lezen. Van mijn moeder – ze ziet amper nog letters maar heeft Tonio in twee dagen verslonden – mocht ik de gebonden versie lenen. Die ‘vergat’ ik keer op keer. Het boek is namelijk met een pen gedoopt in alcohol geschreven. Op elke bladzijde rinkelen de ijsblokjes en daar kan ik niet tegen. Minder Lees meer

Ook films met drinkende hoofdpersonen verdraag ik niet meer. The Lost Weekend, Under the Vulcano, Barfly, Leaving Las Vegas, De helaasheid der dingen: ik hoef ze nooit meer te zien. En hoezeer ik ook van Mad Men houd, ik word niet goed van de vele glazen whiskey die die reclamejongens en -meisjes drinken en ik hoest bij elke sigaret die wordt gerookt.
Hoe zou het komen dat roesboeken en -films mij zo zwaar vallen? Is het omdat ik bang ben in de verleiding te komen? Of is het omdat ik de verslaving voorbij ben en het thema me niet meer interesseert? Geen van tweeën. Want wat gebeurt er bij de aanblik van Millie op mijn deurmat? Ik krijg een onbehaaglijk gevoel in mijn buik en in mijn wangen. Een fysieke sensatie die maar op één manier kan worden uitgelegd: schaamte. Ik schaam mij voor mijn drankverleden. Ik schaam mij voor wie ik toen was, of beter gezegd, voor wie ik toen niet was. Ik geneer me voor die miezerige jaren van verdoving en stilstand. Daarom lees ik die boeken niet, omdat ze me een spiegel voorhouden waar ik niet graag in kijk.
Maar dat is geloof ik niet het enige. Het is namelijk ook nog eens zo dat een roes weliswaar bedwelmend is om in te verkeren, maar ontstellend saai om over te lezen of naar te kijken. ‘In die dagen dronken we als gekken, maar niemand kwam met iets nieuws,’ dat zijn zo'n beetje de eerste zinnen van de film The Great Gatsby en die slaan wat mij betreft de spijker op zijn kop. Roes is een plaat die blijft hangen. Roes leert niet dansen of boksen. Roes beklimt geen bergen en Roes redt geen mensen uit een brandend gebouw. Roes heeft geen hoop maar hangt op een barkruk en gaat nergens heen. Ja, naar de klote. Tenzij... Tenzij de schrijver of regisseur zijn hoofdpersonage genadig is en hem het inzicht geeft dat het zo niet langer kan. Meestal zien we hem (of haar) daarna fris gewassen in een zaaltje met lotgenoten zitten. Gister zag ik weer eens zo'n scène. In Café de Flore gaat een hippe Canadese deejay (drank en drugs) met zijn vader (drank) naar een meeting. Beiden zijn in recovery, beiden hebben het moeilijk. Ze gooien met laptops of reageren de stijgende spanning af op hun huisgenoten. Hoogste tijd om weer eens naar de AA te gaan. Ik had het eerst niet in de gaten, maar die scène maakte me verdrietig en jaloers. Jaloers op de getoonde solidariteit en geborgenheid. Tijdens de aftiteling drong het tot me door dat het voor mij misschien ook weer eens tijd is om naar een meeting te gaan en lotgenoten op te zoeken. En dan niet als een stiekeme journalist die geïnteresseerd is in andermans verhalen, maar als een rusteloze alcoholist die het bij tijd en wijlen moeilijk heeft.


Mei 2013

Pap

Ik had ooit een vriendje dat tegen mij zei: ‘Jij lust er wel pap van.’ Hij had ongelijk. Ik was niet verslaafd aan het, ik was verslaafd aan hem. Een wezenlijk verschil. Ik moet verliefd zijn, anders lukt het niet. Als ik niet verliefd ben, ben ik te kritisch en dat bederft de pret. Wat voel ik nou? Hoor ik dat goed? En hup, daar vervliegt het verlangen. Maar ik heb vrienden, zowel mannen als vrouwen, die geen moeite hebben met seks om de seks. Integendeel. Ze vinden een nacht of nummertje met een vreemde het lekkerste wat er is. Sommige van hen kunnen, als ze dat zouden willen, zelfs dagelijks aan anonieme seks komen. Dan gaan ze gewoon naar een homobar met darkroom en kunnen er daarna weer een poosje tegenaan. Seks als koffie. Zijn zij verslaafd? Minder Lees meer

‘Ja!’ geeft een van hen soepel toe.
‘Vind je dat echt?’ vraag ik door de telefoon.
‘Ja, af en toe.’
‘Luister, je kunt niet af en toe verslaafd zijn. Je bent het of je bent het niet. Dat jij zo nu en dan de onbeheersbare drang voelt om naar “de mannen” te gaan, wil toch niet zeggen dat je hele leven in teken van seks staat? Heus, je overdiagnosticeert. Je plakt een label waar het niet hoort. Eens in de zoveel tijd een leerfeest bezoeken is niks om je zorgen over te maken. Wees blij dat je zo schaamteloos kunt genieten. Mensen met een seksverslaving, die, die ... ’
En toen viel ik stil, want wat weet ik er nou eigenlijk van? Drinken, roken, eten: dat zijn mijn verleidingen. Gamen, gokken en seks om de seks laten me siberisch.
Nadat we kibbelend hadden opgehangen maakte ik een rondje op internet. Daar waren ze. Bill Clinton, David Beckham, Dominic Strauss Kahn, David Prataeus en onze eigen Jack de Vries. IJdele mannen die zich net als de rest van de bevolking niet konden beheersen maar zo stom waren om zich te laten betrappen of verraden. Ongeloofwaardige persconferentie van Tiger Woods. Hij ging en plein public met de billen bloot en gaf toe hulp nodig te hebben. Zijn verklaring voor zijn seksuele appetijt luidde: ‘Ik had zo hard gewerkt en wilde me geen enkel pleziertje ontzeggen. Ik vond dat ik daar recht op had.’
Bingo, Tiger! Want als er iets is waar seks goed voor is, dan is het voor dat magische gevoel van beloning. Hersenscans tonen dat ook duidelijk aan. Zodra de spanning stijgt valt de schelle tl-lamp boven de corveelijst van het leven uit en floept de feestverlichting aan. Het verdovende effect van seks toont zich zo helder als kristal. Zou het een nieuwe drug zijn, dan zou het onmiddellijk verboden worden. Toch staat seksverslaving juist vanwege onbetrouwbare onderzoeksresultaten niet in de nieuwe DSM. Een misser volgens specialisten. Zij schatten dat Nederland 300.000 seksverslaafden kent. De symptomen zijn dezelfde als van elke andere verslaving. Wat aanvankelijk zoveel plezier verschafte is een kwelling geworden, met de gebruikelijke shit van dien: kapotte relaties, financiële problemen en een beschadigde gezondheid. De onderliggende oorzaak is vaak een intimiteitsprobleem.
Na dit gevonden te hebben, belde ik mijn vriend met de verlossende diagnose.
‘Goed nieuws. Je bent gezond.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat je de telefoon opneemt. Als je verslaafd was, zou je geen geld meer hebben voor zo’n duur abonnement, omdat je al je geld naar de chatroom had gebracht. Of je zou hem niet horen omdat je met gevaar voor eigen leven op een parkeerplaats langs de A2 aan het cruisen was. Of je zou hem uit hebben staan vanwege je dappere intakegesprek bij de ontwenningskliniek. Zolang je mij drie keer per dag opneemt en nog altijd meer geld uitgeeft aan Boheems glas dan aan prostitués, ben je veilig. Sorry old chap, je bent niet verslaafd. Je lust er soms pap van. Maar dat is wat anders.’


April 2013

De liefste man van de wereld

Kees was zo’n beetje de eerste die reageerde op mijn boek. ‘Schitterend boek. Dankjewel.’ Een paar weken later stuurde hij nog een mail: ‘Dertig dagen niet gedronken. Dankjewel.’ Ook toen hij twee maanden, drie maanden en vervolgens honderd dagen nuchter was, liet hij me dat weten. In totaal heb ik zes mails van Kees van Dongen gekregen. De laatste was door zijn vriendin geschreven. Ze had Kees dood gevonden. Vermoedelijk gestorven aan een maagbloeding. Als ik nog iets wilde weten, kon ik haar mailen. Minder Lees meer

Wat wilde ik nog weten? Ik kende Kees niet. Ik wist niet wat hij deed, met wie hij leefde of hoe oud hij was. Nieuwsgierig naar de man van weinig woorden, had ik zijn veelvoorkomende naam weleens gegoogled en hem vervolgens aan tweedehandsbrommers gelinkt. In al mijn bevooroordeeldheid had ik hem met bierbuik en afgezakte broek in een Brabantse volkswijk gesitueerd, waar iedereen een trainingspak draagt en het frituurvet altijd op temperatuur is. Ik zag hem te midden van rokende vrouwen in roze leggings die brutale kinderen tot de orde roepen enzovoort. Het is ongelooflijk. En helemaal onvergeeflijk. Maar ik deed dus niks. Geen condoleance, geen sterkte met uw verlies.
Ik weet niet waar ik het aan heb verdiend, maar onlangs kreeg ik de kans om die beschamende nalatigheid goed te maken. Kees’ vriendin belde me namelijk op. Zomaar, op een zaterdagochtend. Ze nam mijn excuses in ontvangst en sprak daarna een uur over haar leven met ‘de liefste man van de wereld en de beste partner die je je wensen kunt.’ Kees was geschiedenisdocent, had humor, schreef gedichten, zong in een koor, speelde trompet, was knap om te zien en kon ook nog eens heel lekker koken. ‘Hij was perfect,’ zei ze, ‘op dat ene na.’ Alcohol had hem zijn huwelijk en zijn baan gekost. Maar zij had hem naar de AA gekregen... en ook regelmatig naar de kliniek gebracht. Bij Al-Anon voelde ze zich een buitenbeentje, omdat haar partner nog leefde en dronk. Na zijn afdalingen in de diepte bracht zij de lege flessen weg en verschoonde de lakens. In het ergste geval lieten ze zijn bank opnieuw bekleden. En dan konden ze er weer een poosje tegen. Er waren vakanties met de caravan en weekendjes met haar kinderen en kleinkinderen, want zijn dochters wilden hun vader niet meer zien. Ze waren wel op de begrafenis, samen met hun moeder, Kees’ ex-vrouw, die de onwetende aanwezigen fijntjes op zijn verslaving wees.
‘Maar het ging toch juist weer goed met hem? Hij hield me op de hoogte.’
‘Ik heb een dagboek uit die tijd gevonden, waarin hij zijn nuchtere dagen bijhoudt. Onbegrijpelijk, want in het echt ging het juist bergafwaarts met hem. Hij trok zich steeds vaker en langer terug om te drinken. Toen ik hem vond, was hij al een paar dagen dood.’

Dit telefoongesprek vond plaats kort nadat ik een vriendin had opgebiecht ‘niet meer zo met alcohol bezig te zijn’. ‘Dan kan je misschien wel weer eens een wijntje drinken?’, was haar voorspelbare reactie. Dat zou ik kunnen doen, ware het niet dat er elke dag meer dan één Kees aan de gevolgen van een alcoholverslaving sterft en dat er elke dag meer dan één vriendin de liefste man van de wereld moet missen. Dan is het dus niet de bedoeling dat ik ga experimenteren met glaasjes op feestjes. Maar dan bied ik Kees mijn excuses aan voor mijn vooroordelen en zijn vriendin voor mijn nalatigheid. En doe ik mijn best om bij de les te blijven. Zoals Kees mij kort na publicatie van mijn boek een hart onder de riem stak, zo heeft hij dat een jaar na zijn dood nog een keer gedaan. Het was zijn vriendin die belde, maar de boodschap kwam van hem.


Februari 2013

Goeroe

Anders dan zijn Indiase ouders en grootouders gelooft de Amerikaanse filmmaker Vikram Gandhi (1980) niet in goeroes. Volgens hem maken ze misbruik van de goedgelovigheid van anderen. Om de goeroeleugen door te prikken besluit hij zelf goeroe te worden. In de schattige documentaire Kumaré (2011) is te zien hoe hij zijn baard laat staan, een sari omwikkelt en in het yogawereldje van Albuquerque infiltreert. Hij wordt daarbij geholpen door twee lenige meiden die als tolk fungeren, want om authentiek over te komen heeft Vikram het brabbel-Engels van zijn oma aangemeten. Minder Lees meer

Als goeroe Sri Kumaré verzamelt hij al snel een groepje volgelingen om zich heen die iets goddelijks in hem zien. Door in hem te geloven slagen ze erin hun eigen leven te verbeteren. Een advocate van ter dood veroordeelden betaalt haar schulden af. Een belabberde echtgenoot slaagt erin om elke dag iets aardiger voor zijn vrouw te zijn. En een gescheiden moeder van drie kinderen raakt 32 kilo kwijt. Kumaré zegt dat zij dit aan zichzelf te danken hebben. Hij hamert erop dat hij een illusie is en dat zij geen goeroe nodig hebben omdat ze hun eigen goeroe zijn. Voor zijn volgelingen zijn die woorden juist het bewijs van zijn wijsheid. Kumarés illusieleer gaat erin als koek. Wat hij ook zegt, ze blijven hem aanbidden. Op de avond dat Kumaré zichzelf wil ontmaskeren, klapt ie dicht. Hij heeft er de grootste moeite mee om de aanwezigen teleur te moeten stellen. Daarbij komt dat hij langzaam maar zeker in zijn eigen creatie is gaan geloven. De goedlachse Sri Kumaré heeft ook in hem het beste naar boven gehaald.
Pas een maand na het afscheid van de groep, durft hij de confrontatie aan. Eerst legt hij per video uit wat zijn bedoeling was, daarna stapt hij gladgeschoren de yogaruimte binnen. De spanning is om te snijden. Sommigen lopen woedend de zaal uit, anderen vliegen hem huilend om de hals. De aftiteling van de documentaire meldt dat Vikram met tien van veertien volgelingen nog regelmatig contact heeft. Enkele van hen dichten hem nog steeds bijzondere gaven toe. Terecht. Vikram lijkt namelijk echt om die mensen te geven en heeft ze als nepgoeroe geen kwaad willen doen. Een gave waar de gevallen verslavingsgoeroe Keith Bakker een puntje aan kan zuigen. Hij bekommert zich slechts om één slachtoffer en dat slachtoffer is hij zelf. Vanuit de penitentiaire inrichting in Lelystad liet hij weten in een hel te leven. Niet door schuldgevoelens of schaamte, maar omdat hij er als zedendelinquent geen leven heeft. Op keithbakker.nl is te lezen welke muziek hem door deze moeilijke periode loodst. Zijn laatste bericht is tevens een roep om aandacht: ‘Gebrande cd’s en boeken ontvang ik niet, kaarten en brieven wel.’ Gevolgd door het adres van de gevangenis.
Keith Bakker mag de komende tien jaar niet als hulpverlener aan de slag. Een vreemde uitspraak, want dat is hij nooit geweest. Keith Benjamin Bakker was geen hulpverlener maar een goeroe. En daar heb je geen enkel diploma voor nodig, een paar wanhopigen die voor hun geluk of genezing op jou vertrouwen volstaat. Bakkers advocate zegt dat de slachtoffers zich aan zijn voeten hebben geworpen en dat haar seksverslaafde cliënt die verleiding niet kon weerstaan.

Uiteindelijk zijn deze advocate en haar cliënt zo verstandig geweest om het hoger beroep tegen de beschuldiging van verkrachting te laten voor wat het is. In plaats van ‘tijd te besteden aan dingen die niet zijn gebeurd,’ zegt Bakker aan zichzelf te willen werken. Wat jammer dat hij geen dvd’s mag ontvangen. Anders had ik hem Kumaré gestuurd.


December 2012

Rolmodel

Toen ik las over haar dood, was ze al begraven. Sylvia Kristel. Ik sprak erover met een vriendin. Die haalde onverschillig haar schouders op. Ze vond het geen goed actrice en wist – met lichte triomf in haar stem – te vertellen, dat de kranten dat ook hadden geschreven: mooi, maar geen goed actrice. Mooi? Sylvia Kristel was prachtig. Zoals ze met dat korte haar in die wereldberoemde rotanstoel zit! Geen grotere schoonheid dan Sylvia Kristel, vooral in die rol van Emmanuelle. De softe seksfilm waarin ze glorieerde trok 350 miljoen mensen naar de bioscoop, onder wie – voor het eerst in de geschiedenis van de erotische cinema – ook vrouwen. Stel je voor dat honderden miljoenen mensen je naakt hebben gezien. Wat doet dat met een mens? Minder Lees meer

Niet veel goeds kennelijk, want Sylvia’s leven liep vervolgens niet over rozen. Dat deed het overigens ook al niet voordat ze een ster werd. Een alcoholische vader en jaren op kostschool hadden hun destructieve werk al gedaan voordat ze door Hugo Claus werd aangespoord om voor de camera uit de kleren te gaan. Een paar jaar waren ze samen. Er bestaat een even schitterende als onheilsspellende foto waarop ze samen op bed liggen. Zij naakt en zwanger van hem. Hij volledig gekleed met zijn schoenen nog aan. Die foto lijkt een voorafkondiging van het onevenwichtige leven dat haar verder nog te wachten stond. Voor haar was het megasucces geen genoegdoening maar een springplank naar een hoop ellende, in de vorm van verslavingen aan drank, drugs en foute mannen. In interviews leek ze altijd aan het bijkomen van een scheiding, detox, faillissement, kanker, de dood van een geliefde ... ‘Trieste hel,’ kopte de Privé in de week na haar overlijden. Benieuwd wat ze daar zelf op geantwoord zou hebben. Want als er iemand was die op weergaloze wijze de, al dan niet over zichzelf afgeroepen, rampspoed waardig wist te dragen dan was het Sylvia Kristel wel. Dat deed ze met stijl en zelfspot. Met overacted understatement. Misschien boterde het daarom wel niet tussen haar en de Nederlandse pers. Ze was ongrijpbaar. En daar houden wij niet van. Onze sterren moeten beschikbaar zijn en lekker gewoon blijven. En Sylvia was allesbehalve gewoon. Ze acteerde in seksfilms, vond zichzelf ongeschikt als moeder en vluchtte in drank en drugs. Daar maak je als vrouw geen vrienden mee. Ongewoon was ook een interview met haar in De wereld draait door, naar aanleiding van de in 2007 verschenen biografie Naakt, waarin ze ruiterlijk toegaf onthutst te zijn door het lichamelijk verval. Ze deed niet aan botox of plastische chirurgie, maar onderging 35 bestralingen en accepteerde wat ons vroeger of later allemaal overkomt: aftakelen. Die stijlvolle buiging voor het onvermijdelijke, nam haar voor me in. Sylvia Kristel had de zeldzame moed om onderuit te gaan. Misschien geen groot actrice, maar zeer overtuigend als vrouw die ondanks schade en schande overeind is blijven staan.


Oktober 2012

Mindfulness

Zoals een vriendin erover vertelde, leek het dé oplossing voor mijn problemen. Een groepscursus Mindfulness, op basis van het boek Voluit Leven. Volgens haar hoefde ik alleen maar even een formuliertje op de site van een instelling voor geestelijke gezondheidszorg in te vullen en dan zou ik snel met mijn eeuwigdurende angst- en paniekaanvallen aan de slag kunnen. Ik zou ze leren hanteren. Nee, beter nog: leren accepteren! Een lokkend perspectief. Minder Lees meer

Ik had mijn nieuwe yogabroek al in huis toen ik een retourmail van de betreffende club ontving. Of ik de meegezonden vragenlijsten (meervoud!) wilde invullen en of ik in hun virtuele agenda een datum wilde prikken voor een intakegesprek. Intakegesprek? Daar had mijn vriendin niets over verteld. Intake ruikt naar therapie, iets wat ik nooit meer wil. Waarom ik dan toch een afspraak maakte? Het is me een raadsel. Ik probeerde er op de valreep nog onderuit te komen en vertelde de secretaresse dat ik me overhaast tot haar organisatie had gewend en afzag van de cursus. ‘Oh, maar het is een prachtige cursus,’ zei ze enthousiast. ‘U bewijst uzelf een grote dienst wanneer u toch tot deelname overgaat.’
En dus stapte ik diezelfde avond uit een lift op een donkere en verlaten afdeling van een groot anoniem gebouw in een buitenwijk waar ik anders nooit kom. Uit het duister dook een studentikoze figuur op die me vroeg in een kamertje te wachten op de consulent. Consulent? Nog iets waar ik niet om had gevraagd. Deze vrouw informeerde naar mijn onbehagen en observeerde me met een uiterst neutrale gezichtsuitdrukking. Geen lachje. Geen knikje. Niks. Daar werd ik zo zenuwachtig van, dat ik ternauwernood kon voorkomen dat ik in een hardcore angst- en paniekklasje werd ingedeeld. ‘Maar wat had u dan in gedachten?’, vroeg zij verbaasd. ‘Voluit leven, in een groep,’ stamelde ik. ‘Maar die groepen beginnen pas na de vakantie. Wat ik u nu kan aanbieden is een individueel traject. Dan heeft u per e-mail of telefoon contact met een coach. Wilt u dat?’
Nee, maar inmiddels ben ik toch in hoofdstuk zeven van Voluit Leven en heb ik vier telefonische consulten achter de rug. Het goede nieuws: ik ben over de helft. Het slechte nieuws: ik begrijp er geen bal van. Niet van mindfulness noch van de behandelingsmethode. Het lijkt namelijk niet de bedoeling dat ik ook iets zeg; al mijn formuleringen worden omgedraaid, leeggeschud en verfomfaaid teruggegeven, met als concluderend mantra: ‘Dat is jouw gedachte, niet de waarheid.’ Mindfulness mag dan de kunst van het niet-oordelend observeren zijn, in de stem van mijn coach klinkt wel degelijk ergernis en ongeduld door. Hij stoort zich aan mijn mooipraterij. Of, om het in mindfulness-taal te zeggen: ik heb de gedachte dat hij vindt dat ik me aanstel. Dan wil ik hem vertellen over de diepe val in mijn eigen graf, elk nacht weer, maar daar heeft hij natuurlijk geen boodschap aan. ‘Dat is jouw beleving, niet de waarheid.’
Aaaggghhhhhh!
En ondertussen is het herfst en zijn in warm gestookte, gezellig verlichte buurthuizen groepen van start gegaan, waarvan de leden met elkaar in baarmoederlijke geborgenheid en intense saamhorigheid hun angsten en neurosen leren omarmen. Terwijl ik met hartkloppingen het volgende consult afwacht. In mijn eentje. Ach, dronk ik nog maar. Dan zou ik a. die angst en paniek er eenvoudig onder houden, en b. niet de hele tijd aan mezelf hoeven werken.


Augustus 2012

Is dat erg?

Lang geleden dat ik weer eens in een gezelschap drinkers was. Geen drinkers in de zin van fulltime tankers, maar drinkers in de zin van doorsnee levensgenieters. Gezonde mannen en vrouwen die bij de geringste gelegenheid het glas heffen. Vrije mensen die gevraagd naar wat ze willen nuttigen, antwoorden met: ‘Als er maar alcohol in zit.’ Zij maakten een wandelreis waarover ik moest schrijven en hadden de eerste groepsdynamiek al achter de rug toen ik met mijn blocnootje arriveerde. Ze hadden net gegeten. Op de lange tafel stonden halflege flessen. Snel omgerekend: drie glazen wijn de man. Dat viel mee. Onmogelijk dat de groep uit louter matige drinkers zou bestaan. Op een gezelschap van twaalf volwassenen is er, statistisch gezien, minstens één die tot het gaatje gaat. Minder Lees meer

Binnen een kwartier wist ik wie. Terwijl de meesten op tijd naar bed gingen om uitgeslapen aan de dageraadwandeling te beginnen, bleven twee vrouwen achter. Ze kropen dicht bij elkaar en maakten samen de overgebleven wijn soldaat. Lachend, stem verheffend, glazen omgooiend, elkaar interrumperend en mij om de slok vragend of ik ook iets wilde drinken. Ik vond het vermakelijk en voelde me – nog steeds – thuis tussen de doorzakkers. Dus toen we elkaar amper zes uur later weer troffen, riep ik fris en monter: ‘GOEDEMORGEN!’. Ze knepen hun ogen dicht tegen het lawaai en leken me amper te herkennen. Terwijl we kort ervoor toch nog samen om de tv-serie Allo, allo hadden zitten lachen. Niets wat zo’n band schept als om de beurt Reu-né zeggen. Van een band was echter geen sprake. Althans niet van een wederzijdse. Geen twinkeling van herinnering, maar de bloeddoorlopen oogopslag van een door een kater geplaagde vrouw. Tijdens de tocht deden ze er het zwijgen toe. Pas tijdens het eten werd ik weer aangesproken. ‘Mariëtte, rood of wit?’ ‘Water,’ dank je wel. Twee minuten later. ‘Mariëtte, heb jij nog niks te drinken?’ ‘Nee, dank je, ik hoef niet.’ Een halve minuut verder: ‘Wat mag het voor je zijn? Rood of wit?’ Gefluister een paar stoelen verderop: ‘Hoeft Mariëtte niks te drinken?’ ‘Ik heb het haar gevraagd, maar ze wil niet.’ Na het voorgerecht: ‘Mariëtte, kan ik inmiddels iets voor je inschenken.’ ‘Nee, echt niet.’ Opgetrokken wenkbrauwen die om een verklaring vroegen. De volgende dag hetzelfde laken een pak. Het begon kortom een ding te worden, dat water van mij. En toen heb ik het verteld. Het grote HET. Het: ik drink niet. ‘Ook geen glaasje wijn?’ Dus toen maar het hele verhaal. Ik zei dat ik vroeger meer dan genoeg heb gedronken en dat ik er drie jaar geleden mee ben gestopt. Na die mededeling werd er anders naar me gekeken. Medelijdend. Het hoofd een beetje scheef, een flauwe glimlach om de mond. De zinnen werden korter, woorden steeds duidelijker gearticuleerd, zoals wanneer je tegen een mevrouw met een hoofddoek of rolstoeler praat. Mijn imago van avontuurlijke journalist was in één klap veranderd in dat van een sneue ex-alcoholist. Categorie: ‘het ga je goed’, in plaats van, ‘we houden contact’. Een jaar geleden zou ik me daartegen verzet hebben. Dan zou ik geprobeerd hebben om met genetica, statistiek en allerhande vergelijkingen alcoholisme in het algemeen en dat van mij in het bijzonder te nuanceren. Maar de onwetendheid en de vooroordelen zijn zo groot, dat ik er soms de puf niet meer voor heb. Google het zelf maar uit. En dus laat ik me bejegenen als een paria. Daar staat wel tegenover dat ik met rust wordt gelaten. Geen mens die om mijn e-mailadres heeft gevraagd. Geen schijnbeloften om elkaar ooit nog eens te zien. Is dat erg?, vroeg ik me tijdens de terugreis af. Mis ik de bondjes gesmeed door alcohol? JA. Maar ik houd me voor dat ze duren zolang de voorraad strekt. Als de fles leeg is en de zon weer op, moeten we in ons eentje die berg weer op. Dat is al een hele opgave zonder kater, laat staan met.


Juni 2012

Charlie

‘Gek. Idioot. Eikel. Lul. Zo'n type die je ervan verdenkt dat hij zijn eigen caravan trekt, zo'n grensrechter.’
In zijn oudjaarconference van 1989 zette Youp van ’t Hek de Buckler-drinker zo voor schut, dat niemand daarna nog het 0,5-procentsbiertje durfde te drinken. We schaarden ons en masse achter de brutaalste jongen van de klas. Je bent een watje als je geen echt bier drinkt en een sukkel als je graag nuchter achter het stuur stapt. Drie jaar later was er in Nederland geen Buckler meer te krijgen. Minder Lees meer

Dit gevalletje effectief afzeiken is de geschiedenis ingegaan als het Buckler-effect. Op de Wikipediapagina van de cabaretier wordt het gebracht als een wapenfeit. Iedereen denkt dat Youp in zijn eentje het biermerk om zeep heeft geholpen, maar Bucklers roemloze aftocht van de Nederlandse markt mede veroorzaakt door concurrentie. Een Brabantse brouwer wist namelijk een maltbier te maken dat wél te drinken was. ‘Beter van smaak,’ gaf zelfs Buckler toe.
Niet alleen de smaak, ook de marketing is onovertroffen. Je zou het niet zeggen, maar Brabanders zijn zeer intelligente wezens als het op humor aankomt. Zij begrijpen dat zelfspot meer effect heeft dan afzeiken. Daarom vragen ze notoire probleemdrinkers om hun alcoholvrij bier aan de man te brengen. Als je ziet wie ze daarvoor inhuren, slagen ze daar bijzonder goed in. Het reclamebureau wist de best betaalde acteur (2010) van Amerika te strikken: Charlie Sheen. Drinker, snuiver, spuiter, pornofanaat, hotelkamersloper, wereldrecordhouder Twitter (snelste persoon met 1 miljoen volgers) en terugkerend bezoeker van afkickcentra.
In het reclamefilmpje zien we hem zojuist uit kliniek komen en vervolgens door een zonovergoten suburb rijden, waar iedereen een flesje bier in de hand heeft. Inclusief zwangere vrouwen en officers on duty. Zijn tuin staat vol uitgelaten bierdrinkers die hem welkom thuis heten. Als geplaagd door een delirium vlucht hij naar binnen, waar hij via het kattenluik een biertje aangeboden krijgt. Een ongevaarlijk biertje. 0,0 procent. Terwijl Charlie zich met bier en gespreide armen bij zijn jolige makkers voegt, klinkt de pompende beat van T-Rex’ Get it on nog net iets harder.
Charlie Sheen en ook Mickey Rourke, de acteur die in een eerdere maltreclame speelde, hebben er geen moeite mee om als herstellend verslaafde gecast te worden. Ze koesteren hun dubieuze imago en schamen zich niet voor het bezit van een Chiwawa of het drinken van alcoholvrij bier. Welke BN’ers zouden voor een vergelijkbare rol te paaien zijn? Wie is behalve Javièr Guzman zo dapper om zijn eigen vallen en opstaan publiekelijk te bespreken en bespotten? In de VS ben je een held als je uit de shit probeert te komen. In Nederland word je nooit meer serieus genomen. Controleverlies roept weerzin op, maar je bent een looser als je Buckler drinkt.
Dergelijke vooroordelen zijn de schuld van grootgebekte alfamannetjes zoals Youp van ’t Hek. Zij bepalen wat cool is en wat niet. Daarom is het ook zo verdomde lastig om jongeren minder te doen drinken. Zij kopiëren immers het gedrag van het stoerste gastje uit de klas. Wil je kinderen van de drank afkrijgen, dan zou je de haantjes zover moeten krijgen dat ze openlijk verkondigen dat comazuipen voor mietjes is. Desnoods tegen betaling. Precies wat de Brabantse brouwerij doet. Zij betaalt de stoutste thrillseeker om een alcoholloos drankje te promoten. Het resultaat is grappiger dan Youp en effectiever dan welke preventiecampagne dan ook.


April 2012

Goede raad

‘Wat zou u doen?’ is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin lezers andere lezers om raad vragen. Meestal gaat het om dilemma’s van huiselijke aard. Van dochters die thuiskomen met een Marokkaan tot ex-echtgenotes die te veel alimentatie eisen. Het dilemma van 12 februari werd ingeleid met de titel: ‘Ze pakt haar drugsverslaving weer op’.
Wat is het probleem? In het kort. Jongen ontmoet meisje. Zij vertelt hem dat ze tien jaar verslaafd is geweest aan cocaïne en heroïne. Ze is destijds twee jaar clean. Inmiddels zijn ze twintig jaar getrouwd. Anderhalf jaar geleden heeft hij amfetamine gevonden. Zij, blij betrapt te zijn, beloofde beterschap. Helaas. Sinds de eerste ontdekking heeft hij zeven keer ‘niet mis te verstane gebruikssporen’ ontdekt. ‘Zij zegt nu dat ze het onder controle heeft. En dat het nooit meer voorkomt. Van hulpverlening wil ze niets weten.’ Zijn vraag: Moet ik het accepteren? Minder Lees meer

De redacteur van ‘Wat zou u doen?’ selecteerde zes reacties van lezers. Ze variëren van ‘ga apart wonen’ tot ‘laat deze verslaafde vallen voordat zij u in haar val meetrekt’. Elk advies is gepeperd met woorden als ‘liegen’, ‘bedriegen’ en ‘besodemieteren’. Slechts één van de zes adviseurs wenst beide echtelieden heel veel sterkte toe, de rest gunt de man veel geluk en beschouwt de vrouw als een hopeloos geval met wie het alleen maar van kwaad tot erger kan gaan. Weliswaar zit in elk advies een kern van waarheid, verslavingen zijn nogal hardnekkig en gebruikers doen vaak loze beloften, maar toch: WAAR IS HET MEDEDOGEN?
Kijk dan toch! Deze vrouw kickt af van cocaïne en heroïne. RESPECT. Ze biecht haar prille geliefde haar verleden op. DAPPER. Daarna lukt het haar om maar liefst twintig jaar clean te blijven en getrouwd bovendien. APPLAUS. Nu heeft ze een terugval, wat trouwens iets anders is dan ‘een verslaving weer oppakken’ (let op het actieve werkwoord!), maar geen mens die haar een hart onder de riem steekt of zich afvraagt wat er in haar leven speelt. Kinderen het huis uit? Moeder met Alzheimer? Bedrijf op randje faillissement? Ook al kennen ze haar niet, toch weten de goede raadgevers exact wat voor vlees ze in de kuip hebben. Een onbetrouwbare junk. ‘Hoe weet je dat een verslaafde liegt?’, roddelt een 30-jarige wijsneus uit Voorburg, ‘dan bewegen haar lippen.’
Ik durf te wedden dat die brave brieven op zondagmiddag zijn geschreven door Volkskrantlezers met een gestructureerd leven vol geaccepteerde verslavingen, zoals het spellen van de zaterdagkrant en het drinken van een gekoelde Pinot Noir wanneer de gelegenheid zich maar voordoet. Zo’n smetteloos bestaan zou onze heldin ook wel willen. Wat heeft zij? Een onbedwingbare behoefte aan pep en een echtgenoot met zo weinig vrienden dat ie half Nederland om raad moet vragen in zake het amfetaminegebruik van de vrouw met wie hij al meer dan twintig jaar lief en leed deelt. Zijn naam is bij de redactie bekend. Om zijn vrouw te beschermen of omdat hij zich voor haar schaamt?
Of wacht eens even ... misschien bestaat deze man helemaal niet en is het dilemma verzonnen door een spion van het ministerie van Volksgezondheid met als missie het draagvlak voor collectief gefinancierde verslavingshulp te peilen onder het linkse deel van de bevolking? Dan heeft hij zijn bazen inmiddels kunnen rapporteren dat die zorg zonder al te veel protest kan worden opgedoekt. Solidariteit nihil.

‘Moet ik het accepteren?’ Nee OEN, dat moet je niet. Maar tussen gedogen en dumpen zit een wereld aan mogelijkheden. Zoals trakteren op een kroketje en haar eens rustig vragen wat er toch allemaal aan de hand is. Om mee te beginnen ...


Februari 2012

Fantasie

Toen ik nog dronk, hoefde ik me nooit te vervelen. Ik had altijd wel iets te doen. Overdag worstelde ik met een kater. ’s Avonds was ik actief met de kurkentrekker. ’s Nachts kroop ik van de bank naar mijn bed. Deze 24-uurscycli van actief drinken en recupereren wisselde ik af met perioden van geheelonthouding. Gedurende die twee hooguit vier dagen stortte ik mij op het verwaarloosde huishouden. Ik harste mijn snor en sopte de keukenkastjes. Toen ik na tien jaar van goedbedoelde doch mislukte stoppogingen het roer werkelijk omgooide, had ik mijn handen vol aan de bijbehorende boekhouding. Mijn eerste jaar van geheelonthouding kende never a dull moment, zo druk was ik met het tellen van de uren, dagen, weken, maanden enzovoort. Minder Lees meer

Inmiddels heb ik het punt bereikt waarop ik de jaren kan tellen. Het zijn er nu twee. Ongelooflijk. Een wonder. Maar wel een wonder van het saaiste soort. Na twee jaar, twee maanden en 23 dagen zonder alcohol, lijk ik volledig te zijn stilgevallen. De euforie om het bereikte resultaat is verdwenen. Het geluk om de hervonden helderheid is verbleekt. De enige opwinding die ik nog weleens ervaar is de paniek om de al te lange stilstand.

Een aurareader die ik hierover raadpleegde, zegt dat ik eindelijk ben thuisgekomen. Van haar mag ik in alle rust mijn koffers uitpakken. Een goede vriendin denkt dat ik energie aan het verzamelen ben voor een nieuwe groeifase. Mijn boerenmoeder wijt het aan de winter. Hoe het ook zij, ik zit er maar mooi mee. Leef ik eindelijk een braaf leven met tijd in overvloed, gebeurt er niets meer. Thuis niet. En daarbuiten al helemaal niet.

Daarom heb ik maar weer eens een coach in de arm genomen. Die heb je in vele soorten en maten, maar de mijne doet haar werk al wandelend. Lopend door de Utrechtse bossen proberen we erachter te komen hoe ik om te beginnen meer plezier uit mijn werk kan halen. Een vraag die daarbij kan helpen is: Hoe ziet je ideale leven eruit? Elk antwoord is goed. Als ik graag een zwangere Sophie Hilbrand wil zijn, dan mag dat. André Kuipers? Is ook goed. En lepelaar die van Texel naar Afrika vliegt? Niks is te gek. Maar waar kom ik mee? Met een bestaan dat absurd veel op het mijne lijkt. In mijn ideale leven woon ik weliswaar in het bos en heb ik logischerwijs andere buren, maar ik doe min of meer dezelfde dingen. Schrijven, eten, wandelen.

Het uitspreken van deze bescheiden wensen ging gepaard met schaamte. Ik voelde me een winnaar van de Staatsloterij die niets beters met zijn ‘5,2 miljoen belastingvrij’ weet te doen dan een dakkapel te laten bouwen. Waar is de verbeelding? Vroeg ik me de dagen na die eerste wandelsessie af. En ik kwam tot de conclusie dat ik zo weinig te verlangen heb, omdat mijn wildste fantasie al werkelijkheid geworden is. Ik heb iets gedaan wat ik nooit voor mogelijk had gehouden. Ik ben gestopt. Ik drink niet meer. De rest is luxe. Leuker werk, een vrijstaand huis? Dat zijn stoelverwarming en spoilers. Accessoires. Mijn grootste wens is gerealiseerd. Ik moet er alleen nog aan wennen dat gelijkmatigheid iets anders is dan stilstand. Met een beetje fantasie is de impasse waarin ik me bevind geen moeras van saaiheid maar een plateau van heilzame rust dat slechts na een zware klim bereikt kan worden. Verveling is het summum van persoonlijke groei. ‘Van daaruit ontstaan vaak de mooiste gedachten en beste ideeën,’ zegt mijn coach. Laten we hopen dat ze gelijk heeft.


December 2011

2012

Omdat het 21 graden was in november. Omdat Griekenland failliet ging. Omdat Mauro niet mocht blijven. Omdat we de wereld sowieso niet meer begrepen, kregen we het na een dag schilderen tijdens de hutspot over het einde der tijden. Normaal lachen we erom, maar dit keer zei mijn beste vriend met serieuze stem: ‘Ik ben niet apocalyptisch ingesteld, maar ik geloof dat we op een eindspel afstevenen. Als je ziet hoe landen rondom de Chinese Zee als een gek aan het bewapenen zijn ...’
Ik legde mes en vork neer en keek hem vragend aan. Toi? Crisismanager, rationalist, rasoptimist, die een bouwval van een café had gekocht om persoonlijk de culturele krimp van Groningse platteland tegen te gaan, gelooft dat het einde van de wereld in zicht is? Minder Lees meer

Dat hakte erin. Ik voelde een onbehagen opkomen waar ik sinds de jaren 80 geen last meer van had gehad. Een weeïge buikpijn die destijds werd veroorzaakt door mijn angst voor De Bom. Daar ging ik als puber mee naar bed en daar stond ik mee op. En daar tussenin droomde ik erover. Bijvoorbeeld dat ik met een clubje vrienden op het strand lag en dat we dan via luidspeakers hoorden dat De Bom onderweg was naar Nederland. Dan hadden we nog een paar minuten om afscheid van elkaar te nemen en dan koos de jongen waar ik verliefd op was voor de armen van een ander om in te sterven ...
Ach, die goeie oude Bom. Wat een overzichtelijke dreiging was dat. Hij kwam van één kant en de berichtgeving daaromtrent uit één bron. Het achtuurjournaal. Met New Wave en goedkope wijn was er prima mee te leven. Voor we het wisten viel de Muur, kwam Mandela vrij en gloorde een betere wereld. De Bom was een lachertje vergeleken bij de complexe ellende die ons nu boven het hoofd hangt. Stijgende zeespiegel, opdrogende oliebronnen, instortende monetaire stelsels, onbeheersbare virussen en, als ik mijn vriend mag geloven, dus ook nog vechtlustige Chinezen. Alles bij elkaar opgeteld zouden die miezerige Maya’s nog weleens gelijk kunnen krijgen met hun voorspelling dat op 21 december 2012 de boel ophoudt te bestaan.
Zoals dat gaat bij gesprekken over het einde der tijden, kregen we het al snel over hoe we onze laatste dagen dan door zouden willen brengen. De vraag der vragen zeg maar. Mijn rationele vriend wilde naar de Canarische Eilanden, een ander naar bed met een lekker wijf en een paar flessen wijn. Dat was ook degene die vroeg: ‘En jij, stel dat je nog een week te leven had, zou je dan weer gaan drinken?’
De volgende ochtend in de trein van Groningen naar Amsterdam bleef ik aan dat verdomde eindspel denken en aan het antwoord dat ik mijn tafelgenoten nog schuldig was. Al mijmerend zag ik nevels boven de velden hangen, een buizerd op een paaltje zitten, herfstkleuren knetteren in de novemberzon. Ik zag een zwaarlijvige man in zijn nieuwe trainingspak over een fietspad draven en hoorde de opgewonden stemmetjes van kinderen die zojuist waren ingestapt. Een doodnormale zaterdagochtend. Stel dat dit de laatste was? Wat te doen? Zou ik drinken en lam het einde afwachten of fietsend over een dijk nog een paar uurtjes schepping meepakken? Ik zou voor het laatste gaan en nog zoveel mogelijk mee willen krijgen van dit ‘vreemde genoegen’ (Raymond van het Groenewoud), ook al duurde het nog maar één dag. Dat moet je doemscenario’s nageven: ze vergallen je humeur, maar reinigen je blik. In het licht der eindigheid is het ‘nu’ werkelijk prachtig. Maya’s bedankt!


Oktober 2011

Eerste keer

Eerste column. Onbeschreven blad. Zoekend naar een haakje om deze tekst aan op te hangen, vond ik op internet een paar liedjes over ‘de eerste keer’. Eentje van Benny Neijman over zelfbevrediging op 12-jarige leeftijd. Eentje van Doe Maar over een ontmaagding in een fietsenhok. Tja. Dus. De eerste keer hoort kennelijk bij seks, zoals peper bij zout. In elk geval heeft de eerste keer betrekking op iets sensationeels. De eerste keer fietsen zonder vaderhand in je nek. De eerste keer zonder ouders op vakantie. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik mijn eigen haren waste, mosselen at en de eerste keer dat de ander het uitmaakte – waar Brigitte Kaandorp dan weer een hartverscheurend liedje over schreef. (Oh de eerste keer doet dat verschrikkelijk veel pijn. Midden in de winter nota bene. Nu alle kleuren zijn verdwenen.) Minder Lees meer

De eerste keer is grensverleggend. Je doet, voelt, ziet of proeft iets wat je nog niet kende. Dingen die een onuitwisbare indruk maken en waar in mijn geval vanaf zekere leeftijd vaak alcohol bij kwam kijken. Wat weer een complete subcategorie aan eerste keren creëerde. Mijn eerste kater, kots, black-out, kapotte knieën, enzovoort. De eerste keer refereert dus ook aan zaken die je liever zou vergeten.

Hoe dan ook, die eerste keer, dat gebeurt nooit weer. Daar was ik van overtuigd. Totdat ik stopte met drinken. Toen begon alles weer van voor af aan. Dingen die ik honderd keren had gedaan voelden als nieuw. Als een ongekende ervaring. Misschien niet grensverleggend, maar toch zeker sensationeel. Zoals mijn eerste droge lente. (Bloesem aan de bomen: hemeltje wat mooi. Lammetjes in de wei: niet normaal zo lief.) En de eerste keer uit eten zonder erbij te drinken staat me levendiger voor de geest dan welk experiment in welke fietsenstalling dan ook.

Bij al de ‘eerste keren zonder’ voegde zich onlangs de citytrip. Een cadeautje van mijn zus. De laatste keer dat we samen op pad gingen, is dertig jaar geleden. Toen nam ze me mee naar Parijs, nu naar Madrid. Ik dacht aan de Goya’s in het Prado en aan Picasso’s Guernica. Maar volgens mijn zus is de charme van Madrid ‘dat alles en iedereen er buiten leeft’. Die mededeling was veelzeggend, maar ik luisterde er overheen. Wat ik zag toen ik uit het metrogat de zon in klom, daar was ik niet op voorbereid. Op elke hoek van de straat en in alle panden daartussen: cafés, bodega’s, hampaleizen, ijskastelen, tapasbars. Met inderdaad veel volk voor de deur. Staand dan wel zittend. Een bezoek aan Madrid, is een bezoek aan ’s werelds grootste terras. En kunst kijken – dat was ik vergeten – is geen doel maar slechts de aanloop naar het glas. Genoeg gezien? Zitten maar.

Mijn arme zus. Uit piëteit met haar geheelonthoudende zusje begon ze pas bij het avondeten te drinken. Twee glazen. Die haar de moed gaven om nog afzakkertje voor te stellen op een terras. Daar deed ik over mijn thee een krappe vijf minuten, waarna er pakweg veertig overbleven om te kijken naar het glas witte wijn van mijn zus. Nu eens leek het voller dan een minuut geleden. Dan weer nam ze drie snelle slokken achter elkaar om het vervolgens een kwartier lang niet aan te raken. Zo werd het laatste uur met de dag een grotere kwelling. Ik begon uit te kijken naar het moment van vertrek. Terug in Nederland gaf ik mezelf een 3 op de schaal van gezelligheid. Maar mijn zus zei monter: ‘Hier gaan we een traditie van maken.’
Er komt dus een tweede keer. Maar dan mag ik de city bepalen. Ik weet nu al dat het iets islamitisch wordt.