Mariette Wijne

December 2017

Kerstei, paasboom

Haten is overdreven, maar ik heb niets met Kerst. Overerfd van mijn ouders, die nog minder met Kerstmis hadden dan ik. Louter mijn godsdienstwaanzinnige tante en dito oma keken uit naar de jaarlijkse geboorte van Jezus. Nog steeds associeer ik Kerst met eindeloze kerkdiensten, tijdens welke ons gezin achter in de kerk moest staan, omdat onze vaste plaatsen, tweede rij achter het midden, door fris gedouchte, naar appeltjesshampoo ruikende gelegenheidsgelovingen in lammycoats waren ingenomen. Minder Lees meer

Dan stonden we ons hartgrondig te vervelen en hevig te hopen dat we in godsnaam maar niet de vredeswens hoefden te doen, want dat betekende dat we de personen naast, achter en voor ons de hand moesten schudden. En contact met vreemde dorpelingen: daar gruwden wij van, en zij waarschijnlijk ook, al konden zij hun afschuw misschien beter verbergen. Met een scheve grijns schudden we vrouwen met betonharde watergolf of door acne belaagde aardappelboeren de hand. Niemand, maar dan ook niemand in die kerk die zich ook maar één tel om de ander bekommerde. Hullie tegen gullie. En wij waren anders dan de rest. Dat hoopten we althans. Met ‘wij’ bedoel ik mijn broers, zussen en ik. Mijn moeder hoopte dat niemand aanstoot aan ons nam. Mijn vader hoopte dat mijn oma, waar we na de kerk op bezoek zouden gaan, voldoende jenever in huis had.
Ook onze interesse in oma reikte niet verder dan de taartjes in de gebaksdoos in haar stervenskoude bijkeuken. Witte chocoladebollen gevuld met room. Als we die op hadden, fietsten we klierderig door een doodstil dorp naar huis. Daar bekogelden we elkaar net zolang met de kussens uit de bank totdat er iets brak, hetzij een kerstbal, hetzij een tafelblad. Ondertussen steeg achter het fornuis mijn moeders bloeddruk tot ongekende hoogte. Dat, terwijl de peertjes al waren gestoofd, het vlees al had gesudderd en de pasteibakjes en ragout rechtstreeks uit de verpakking kwamen. En dan moest het nog gezellig worden.
In de loop van tweede kerstdag deden we weer normaal. Dan ging mijn vader naar de kroeg en weigerde mijn moeder te koken. De kerstboom en -stal bleven tot 6 januari staan: dan kwamen de drie koningen en bliezen het verhaaltje uit. Baby Jezus c.s. werden in keukenpapier gewikkeld en verdwenen in een doos op zolder. Wat waren we blij. Vooral mijn moeder: het hele jaar de verdraagzaamheid zelve maar met Kerst een onhebbelijke vrouw.
Het feest haalt weinig goeds in de mens naar boven. Daar weet mijn zus ook alles van. Als veteraan in de jeugdzorg heeft ze elke denkbare kerstcrisis als gevolg van te veel drank, te veel mensen in één ruimte en vooral te veel verwachtingen rondom Kerstmis mee mogen maken. Toen ze nog thuis woonde nam ze uit de tehuizen waar ze werkte weleens een eenzame achterblijver mee naar huis. Een ontregelend type dat met Kerst per se eieren wilde beschilderen en met Pasen Jezus’ schapen verstopte in de achtertuin. Die feestdagen beantwoordden op geen enkele manier aan de verwachtingen, maar gezellig waren ze wel.

‘En laten wij die vrede,
met een stevige handdruk
aan elkaar toewensen ...’


Oktober 2017

Verzamelaars

Afgelopen weken heb ik een dozijn verzamelaars geïnterviewd. Ik had hun woorden nodig voor de bijschriften op een tentoonstelling. Het hoefden er maar 200 per geïnterviewde te zijn – de helft van deze column. De korte gesprekken had ik prima per telefoon kunnen doen, maar ik reisde van Vlissingen naar Ter Apel en via Den Bosch weer naar huis. Want ik ga graag bij vreemden op bezoek. Ik wil mijn voeten aan hun deurmat vegen, koffie uit hun kopjes drinken en zien wat ze aan de muur hebben hangen. Minder Lees meer

Dit verlangen is vermoedelijk iets van vroeger, toen mijn moeder als freelance-kraamhulp bij ‘particulier verzekerden’ in dienst was en ik tussen de middag in die onbekende huizen een boterhammetje mocht eten. Ik keek mijn ogen uit en dacht: zo kan het dus ook. Zo kun je dus ook leven. In een compleet wit interieur, een zitkuil, achter een raam vol woekerende citroengeraniums.
De verzamelaars die ik bezocht waren allen in goeden doen. Ze woonden in grote, opgeruimde huizen, maar wat me vooral opviel, was hun ogenschijnlijke geluk. Op de terugweg van Enkhuizen of Geleen had ik volop tijd om daarover na te denken. Ik bedacht dat een niet-complete verzameling het ideale leven representeert. Wat je al hebt, geeft je een heerlijk vol gevoel, en dat wat je nog mist, geeft je een duidelijk doel om vol verlangen na te jagen. Maar wat als de verzameling compleet is? ‘Dan is er geen sodemieter meer aan’, zei de man die zich ‘Superverzamelaar’ noemt, omdat hij een verzameling van 216 verzamelingen heeft, die hij bewaart in de kluis van het oude bankgebouw waar hij woont. Van alle verzamelaars leek hij het gelukkigst, op het manische af. Nooit rust, altijd onderweg naar een beurs of markt om nog meer winkelwagenmuntjes te scoren, intens gedreven, zo blij als een kind.
Behalve albums, albums, albums vol met die muntjes, zag ik verzamelingen van bakstenen, vroege mobieltjes, deksels van coffee-to-go-bekers, antieke Zeeuwse messen, verkeerspionnen en kleermakersscharen. De interessantste verzameling op de tentoonstelling is die van de Engelse ontwerper die imperfecte producten spaart, zoals een plastic vork met korte tanden en een sigaar zonder vulling. Kortom onvolmaakte fabrikaten die ondanks hun misvorming toch door de keuring zijn gekomen, dingen die ondanks hun anders-zijn toch door de groep worden getolereerd. Deze verzamelaar had in zijn leven al veel verzameld en ook weer weggegooid, maar de ‘Imperfections Collection’ kon hij vanwege de gelijkenis met zijn eigen leven niet laten gaan. Hij vergeleek zichzelf met de gesloten pistachenoot: anders, maar verpakt in het hetzelfde zakje als de halfopen noten.
Een aandoenlijk beeld, maar zijn we niet allemaal die schroef zonder schroefkop? Is niet iedereen volwaardig lid van de club van onvolmaakten? Ook, of vooral die idioot gelukkige verzamelaars. Want je gaat dan misschien niet dood aan het verzamelen van meer dan 2400 vliegenmeppers, maar koekoek is het wel. Toch? Ik vind het in elk geval een opwekkende gedachte dat we allemaal een vork met korte tandjes zijn. Zoekend naar grip, vluchtend voor pijn.


Augustus 2017

De vrouw die niet op vakantie wou

Ook al vroegen familieleden en vrienden haar nog zo vaak mee. Ze zei: ‘Het klinkt heel aanlokkelijk, maar nee, ik kan niet mee.’ De ene keer was ze te druk. De andere keer had ze geen geld. En soms weigerde ze vanwege het milieu, om eraan toe te voegen: ‘Als we met de trein konden gaan, dan ging ik mee.’ Minder Lees meer

Haar afkeer van vakantie had niets met het klimaat of de gekozen bestemming te maken. Integendeel, ze wilde graag de Himalaya zien en ook wel in een camper door Amerika trekken, maar zulke reizen waren nu eenmaal niet te verenigen met haar primaire drang in het leven: dicht bij haar eigen koelkast te zijn. Het idee te moeten slapen in een tent of caravan, was voor haar ondraaglijk. Niet vanwege eventuele muggen of een slecht matras, maar omdat daar haar koelkast niet was. Een weekendje Wadden zou misschien nog lukken, maar een hele week zou niet gaan. Haar koelkast was haar pacemaker, die bepaalde het ritme van haar dag. Zolang ze elk uur in de koele witte ruimte kon kijken, was er niets aan de hand. Dan voelde ze zich rustig en had haar leven in bedwang.
Soms was het genoeg om alleen het geluid van de ontgrendelende handgreep te horen, maar meestal deed ze de deur een eind open en trok ze ook de klep van het vriesvak naar beneden. Het voedsel op de roosters, het lampje rechts tegen de wand, de condens op de flessen en de groenten in de groentela: al die dingen stelden haar intens gerust. Daar kon geen minibar in een hotelkamer tegenop. Een 10-daagse fiets- of wandelvakantie zou ze niet overleven, ook had ze er de bouw en conditie voor. Dat was ook precies wat haar vrienden zeiden: ‘Je bent fit en sterk, ga nou toch een keertje mee!’
Maar hoe ze ook aandrongen, de vrouw bleef thuis om daar minstens vijf keer per uur de koelkast open en weer dicht te doen, om met haar tong lang het deurrubber te likken of (incidenteel) alle zuivel aan de kant te schuiven om net zo lang haar wang op een rooster te leggen totdat het vriesvak begon te lekken. Na zo’n uitspatting mijdde ze de keuken voor een poosje. Maar de gemiste ‘koeltjes’ (zoals ze haar behoefte was gaan noemen) werden altijd ingehaald.
Ondertussen zag iedereen de hele wereld. In plaats van een ansichtkaart te sturen namen ze vrolijke magneten voor haar mee. Langzaam veranderde de deur van haar koelkast in een klimwand van bruggen en kerkjes en bergketens en vakwerkhuizen, verwijzend naar plekken die zij nooit zou zien. Het meest recente magneetje had ze gekregen van haar buren, die een cruise door de zeeën langs Groenland en Alaska hadden gemaakt. Toen ze ’s nachts haar hoofd in de koele nis wilde steken, weerhield de glow in the dark-iglo haar daarvan. Ze bleef ernaar kijken, totdat ze zag wat het was: een huis gemaakt van ijsblokken, een koelkast waarin ze helemaal rechtop zou kunnen staan.

Daarna stond haar eigen exemplaar haar tegen. Was ze eindelijk vrij om van huis te gaan.


Juni 2017

De bibbers

Opgroeiend in een katholiek gezin hoorde ik al jong over de eeuwigheid. Als we na afloop van de mis naar mijn oma’s koffietafel fietsten, zongen mijn broer en ik buiten gehoorsafstand van mijn moeder: ‘Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote dikke schuld’ en, als we er bijna waren, ‘tot in de eeuwigheid en eeuwigheid, amen’, waana we een keiharde boer lieten. Later op zo'n zondag, in het donker van mijn slaapkamer, probeerde ik me die eeuwigheid voor te stellen. Dan tuimelde ik door een eindeloze zwarte leegte. Zonder houvast. Moederziel alleen. Voor altijd en altijd. Minder Lees meer

Die fantasie wekte geheid ademhalingsproblemen op. Piepend van paniek probeerde ik mezelf tot bedaren te brengen. Naar beneden gaan om mijn ouders, broers en zussen te vertellen wat ik mankeerde, deed ik niet uit angst te worden uitgelachen. God wat ben ik bang geweest. Bang om een slecht cijfer te halen. Bang dat we de trein zouden missen. Bang voor muizen. Bang voor honden. Bang voor dorpsgek Gieleke die achter de vuilniswagen liep met zijn tandenloze mond en schilferende huid. Bang voor jongens. Bang voor meisjes. Bang voor de bom. Bang voor alles.
Behalve als ik dronk.
Drinkend had ik niets te vrezen. Mijn gezondheid kon me niks schelen en de wereld liet me koud. Mijn toekomst had geen vorm. Ik had geen ambities en vond mezelf nog minder dan waardeloos. Waar had ik bang voor moeten zijn? Mijn hart of ziel of wezen of hoe je dat binnenste binnenste ook maar noemen mag, was van hout en dobberde stuurloos op brak water. Toen ik stopte met drinken werd ik weer vloeibaar. Een ander woord kan ik er niet voor bedenken. Mijn bewustzijn begon te stromen. Ik werd groter. Hier en nu, daar kwam ineens een toekomst bij. En met die toekomst keerden de angsten terug in mijn leven.
Eerst was er de angst om niet zonder alcohol te kunnen leven. Daarna kwam de angst voor een terugval. Vervolgens kregen mijn angsten een existentiëler karakter. De angst om niet geliefd te zijn heeft me lang geteisterd. Net als de angst voor middelmatigheid of de angst om nooit te weten waarvoor ik op aarde ben. Momenteel worstel ik vooral met de moeder aller angsten. De angst voor de dood. En dan bedoel ik niet de 85-jarige dood omringd door geliefden of de plotselinge dood door een misdrijf of ongeval, maar een gemeenschappelijke dood door de apocalyps. Ik hang geen schilderij meer op, want hoe lang kan ik daar nog naar kijken? Ik plan geen vakantie voor volgend jaar, omdat de kans bestaat dat we er dan niet meer zijn. Ondertussen ben ik niet te beroerd om anderen met mijn angsten voor een nucleaire oorlog of opwarming van de aarde te vermoeien. Mijn beste vriends geduld is nu wel zo’n beetje op. Eerst kon hij nog lachen om mijn angst voor het einde der tijden, maar laatst zei hij bits: ‘Wat nou als er niks gebeurt?’
Die vraag heeft alles aan het schuiven gebracht. Wat als? Wat als ik nog lang en tamelijk gelukkig leef? Dan moet ik fruitbomen planten, mijn kleren laten stomen, de inboedel verzekeren, de grutto redden, vrienden vaker zien en wat al niet meer. Dan moet ik zelf iets van mijn leven maken. En dat, precies die verantwoordelijkheid, is enger dan de eeuwigheid en apocalyps bij elkaar.

Sinds die openbaring (Grieken zeggen ‘apocalyps’) probeer ik me minder door mijn angsten en meer door Ernie en Bert te laten leiden. Die zingen: ‘Maak er wat van, maak er wat van. Moet je maar eens kijken wat je allemaal niet kan!’


April 2017

Dood en begraven

Een mens moet wat. En wie te laat is met het fiksen van een normaal leven, die sprokkelt her en der wat raison d'être bij mekaar. Ik heb kortom een nieuwe bezigheid. Het geven van rondleidingen op De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Begraafplaats, wandelpark en bomentuin ineen. De reden dat ik daar liever kom dan in de stad is het gebrek aan prikkels. Er rijden weinig auto’s en de mensen praten er zacht. Bovendien voel ik me nergens zo levend als tussen stille graven. Zuurstof in mijn longen. Haar in de wind. Minder Lees meer

Rondleidingen dus. In het kader van Internationale Vrouwendag liep ik met een clubje geïnteresseerden langs graven van vrouwen die er in hun tijd toe deden, onder wie actrices, schrijfsters, politici en Bet van Beeren, de Koningin van de Zeedijk. In de Nieuwmarktbuurt runde Bet café Het Mandje, waar mannen met mannen en vrouwen met vrouwen konden dansen. Bet zelf was een beruchte womanizer. Met telkens een ander liefje achterop haar motorfiets reeds ze pronkend over de Zeedijk. Omdat Bet als kind haar moeder hielp bierflesjes vullen, raakte ze al jong gewend aan alcohol. Als zo’n feit aan het begin van iemands biografie wordt genoemd, dan laat het einde zich raden. Inderdaad, Bet stierf op 65-jarige leeftijd aan leverfalen. Na haar overlijden lag ze enkele dagen opgebaard op het biljart. Een van de weinigen van wie Bet op het laatst nog bezoek kreeg, was majoor Bosshardt. Een drankbestrijder in hart en nieren, maar ook een vrouw voor wie geen zondaar te groot was. Bosshardt werd een nog bekendere Nederlander nadat ze knuffeljunkie Herman Brood op tv in bad had gedaan.
‘Perfecte mensen veranderen niet’, zegt Jackie Kennedy, gespeeld door Natalie Portman, in de film Jackie. Als ik het goed onthouden heb, zei ze daarna: ‘Jack (JFK) werd steeds beter en sterker. Af en toe liep hij de woestijn in om zich te laten verleiden door de duivel. Maar hij kwam altijd terug bij ons, zijn geliefde gezin.’ De woestijn waar Jackie het over heeft, dat waren de andere vrouwen. Kennedy deed het met 18-jarige stagiaires en probeerde met evenveel appetijt de zestigjarige Marlene Dietrich in bed te krijgen. Op een website die het drank- en drugsgebruik van alle Amerikaanse presidenten op een rijtje heeft gezet, wordt Kennedy in verband gebracht met lsd en marijuana. Zijn fameuze seksverslaving wordt niet genoemd. John F. pieste voortdurend buiten de pot en Jackie mocht de troep opruimen, zijn schedel bij elkaar houden nadat deze door een kogel uit elkaar was gespat. De film laat zien hoe Mrs. Kennedy van haar trouweloze man een heilige maakt. Ze organiseert een staatsbegrafenis geïnspireerd op die van Abraham Lincoln. Paarden, koetsen, in processie achter de kist met een voîle voor het gezicht. Tussen al het ceremonieel door zie je een doodeenzame vrouw in een groot wit huis. Geen mens om mee te praten.
Dan had Bet van Beeren het beter voor elkaar. Die kon, als ze daar behoefte aan had, haar hart nog luchten bij de majoor. Ida Bosshardt ligt overigens ook te liggen op De Nieuwe Ooster. Gezellig met haar medesoldaten in een rijtje, wachtend op de Dag des Oordeels, overtuigd van een heerlijk leven na de dood.
Als ik moest kiezen. Jackie, Ida of Bet? Ik vrees dat ik de afgelopen jaren steeds meer op de heilsoldate ben gaan lijken met m’n platte schoenen en vrijwilligerswerk in de buurt. Maar toen ik bij wijze van reclame voor mijn vrouwenwandeling voor de stadskrant op de foto moest, ging ik toch liever bij het graf van Bet dan dat van Bosshardt staan.


Februari 2017

Betutteling

Deze zin wordt geschreven door een niet-roker. Na [piep-piep-censuur] jaren ben ik gestopt. Ik begon met meeroken meteen na mijn geboorte en rookte mijn laatste sigaret in de nacht van 1 januari 2017. Mijn nicotineverslaving was het hevigst tussen mijn 16de en 33ste. Daarna rookte ik met vlagen genoeg, met vlagen weinig. De laatste jaren gemiddeld twee sigaretten per week. Als mensen me vroegen, rook je?, dan zei ik: ‘Nee, alleen af en toe’. Dat ‘nee’ sloeg dus nergens op. Rookte ik? ‘Ja. Nog steeds.’ Minder Lees meer

Ik heb voor een sigaret gekkere dingen gedaan dan voor een glas wijn. Ik heb gejat, gebietst, opgeraapt van straat en sigaretten, die ik onder de kraan had gehouden om ze onschadelijk te maken, opgebakken in een koekenpan. Drum, Marlboro Light, American Spirit, een sigaar als er niks anders was: ik rookte alles.
Mijn laatste sigaret was een zogenaamde kliksigaret van het merk Kent uit een platinakleurig pakje met zachtgroene letters. Door de filter tussen mijn vingers te rollen voelde ik het balletje dat je kunt knakken zodat er een dosis menthol aan de smaak wordt toegevoegd. Ik rookte hem boven een open vuur in de vochtige kille nieuwjaarsnacht. De volgende dag was ik ziek. Hoestend, proestend, hypochonderend over COPD en longkanker besloot ik dat die mentholsigaret de laatste was geweest.

Menthol! Wie kwam er ooit op het idee om iets wat onder andere keelkanker veroorzaakt naar een hoestbonbon te laten smaken? Of naar vanille of chocola, want dat soort snoepsmaken worden ook aan tabak toegevoegd om kinderen over de streep te trekken. Voor elke dode roker moet een zogenaamde replacement smoker worden geronseld: een jonge vervanger die na een maandje proefroken geheid verslaafd is en gedurende zijn leven gemiddeld zeven keer zal proberen om er vanaf te komen. Als hij of zij geluk heeft, dan lukt dat. Zo niet, dan is de kans op een vroege en gruwelijke rokersdood groot.
Een tabaksfabrikant zoals Philip Morris is enerzijds verplicht om de verslavende en dodelijke aard van roken op verpakkingen en website te plaatsen, anderszijds wordt de multinational met een filiaal in Bergen op Zoom geen strobreed in de weg gelegd. Want, zo luidt het vrije-marktoordeel van de Nederlandse regering: ‘het is een normale bedrijfstak’. U vraagt, wij draaien. U wilt roken, wij maken sigaretten zoals de boer kaas of melk. Daar is niets illegaals of verderfelijks aan. Ook niet volgens onze VVD-minister van Volksgezondheid. Sterker, sinds Edith Schippers over onze gezondheid waakt, heeft de tabakslobby de ene fles champagne na de andere kunnen ontkurken. Eerst heeft Schippers de rookwet versoepeld, daarna heeft ze de stophulp uit het zorgpakket gehaald, vervolgens heeft ze al te gruwelijke anti-rookreclames verboden en de subsidie aan rookontmoedigingsclub Stivoro stopgezet. Dat alles onder het mom van ‘de staat is geen nanny’.
Schippers’ afkeer van betutteling is groter dan haar zorg om de 20.000 mannen en vrouwen die ook in 2017 weer gaan sterven als gevolg van hun rookverslaving. De mens is vrij, zeggen ze bij de VVD. En wie vrij is, heeft een eigen keuze. Slim, want van eigen keuze is het een kleine stap naar eigen schuld. De verslaafde is dom en schuldig terwijl de verslaafdmaker vrolijk zijn ding kan blijven doen.
Ik hoop (en bid) dat ik op tijd ben gestopt. Volgens de Hartstichting is het nooit te laat. Over vijftien jaar heb ik net zoveel kans op een hartinfarct als iemand die nooit heeft gerookt. Hopelijk hebben we tegen die tijd wél een nanny als minister van Volksgezondheid.